Rare Hollander.

We wonen dicht bij de Duitse grens, hemelsbreed hooguit 2 km hier vandaan. Dat heeft zijn voordelen (goedkope benzine en andere artikelen) maar ook, zoals bij de meeste mazzels in dit leven, zijn nadelen. Mijn steen van aanstoot is dat regelmatig Duitsers mijn weg kruisen die geen woord Nederlands willen spreken. Duits-brutaal spreken ze mij aan in hun moerstaal en zijn beledigd als ik in keurig ABN antwoord geef. Immers ik ben ook maar een mens en ook ik vergeld (helaas) meestal Duits met kwaad. Want als ik in Duitsland iets vraag in het Nederlands oogst ik hooguit een schouderophalen. De Duitsers zijn verwend als zogenaamd Herrenvolk, alle Nederlanders in deze streek spreken immers vloeiend Duits, dus ik ben een rare Holländer, Schlusz.
Ik heb er vaker meningsverschillen met Lulu (mijn vrouw) over gehad, die de Zwarte Man in mij moffenhaat verwijt. Een Duitser krijgt bv nooit mijn parkeerplaats, ik wacht en klooi net zolang tot hij het van lieverlee opgeeft. Ik wissel ook nooit hun marken voor onze guldens, als ze een parkeerkaartje willen kopen gaan ze maar eerst naar de bank. Doe ik in Duitsland ook.
Ten einde deze zwarte trekken in mijn karakter te doorgronden heb ik een langdurig zelfonderzoek gedaan en ook nog wat familiehistorie geraadpleegd en ben tot de volgende conclusies gekomen.

Die gammele omgang met onze oosterburen zit in onze familiehistorie. Mijn grootvader van moederskant is ergens eind 19de eeuw met een Duitse getrouwd. Zij kregen vier dochters, geen zonen. Dezelfde situatie als bij onze Bernhard, als je diens bastaarden buiten beschouwing laat. Tot zover is nog niets aan de hand. Mijn oude heer werd verliefd op een van die dochters waarmee hij ook trouwde, mijn moeder dus. Waarschijnlijk de kiem van het probleem, want in mei 1940 werd hij als militair bruut uit zijn slaap gewekt en krijgsgevangen gemaakt. Hij had nog niets gedaan want ze hadden geen munitie en was dus volkomen onschuldig. Toch heeft hij voor straf zes weken bij een boer in Moffrika aardappels moeten poten.
In die tijd heeft hij veel last gehad van diarree, want die boer was wat ze nu een zelfkazende boer noemen en voerde de Buttermilch (karnemelk) aan zijn Kg. (Kriegsgefängene). Uit balorigheid heeft mijn vader bijna geen aardappels gepoot en constant auf das Scheisshaus gezeten. Toen kon hij te voet naar huis. Dat heeft ook nog eens een week geduurd.
Toen hij thuis kwam was zijn schoonmoeder, mijn oma, waarschijnlijk door de angst en spanning, gedementeerd. Zij bad de ganse dag: "Gott strafe England!"
Mijn ouders heb ik vervolgens nooit meer een goed woord over de Duitsers horen zeggen. Mijn vader heeft zelfs een tijdlang serieus nagedacht over emigratie.

Toe ik op vrijersvoeten kwam moest ik het regelmatig opnemen tegen "Selfkanters" die ons de knapste mokkels voor de neus probeerden weg te kapen. Een slechte smaak kun je die jongens niet verwijten. (Ook een nadeel als je dicht bij de grens woont.)
Als ik Lulu nu met dit landverraad confronteer geeft ze als antwoord dat het wel echte cavalieren waren. Nu geef ik je te doen, want zijn cavalieren? Ik dacht dat de cavalerie iets met paarden te doen had!
Laat ik me niet zelf opjuinen maar beperken tot een nuchtere opsomming van de historische feiten.
In 1974 hebben ze ons gekloot tijdens de WK voetballen. Als ze een greintje fatsoen in hun kromme poten hadden gehad, hadden ze ons geen vuile kunstjes geflikt.
Ik zal die zondagmiddag nooit vergeten. Mijn schoonvader, zaliger gedachtenis, was helemaal over de rooie. Zijn dochters, dat zijn Lulu met haar twee zusjes zijn met hem tijdens die fameuze wedstrijd naar buiten moeten gaan. Zij vreesden dat hij anders de TV in mekaar zou slaan. De goeie man heeft vreselijk staan vloeken en tieren en is daarna een week dronken geweest. Wij (zijn schoonzoons) hebben hem toen met daden begripvol terzijde gestaan. Iedere dag ging eentje van ons met hem aan de drank. Onze band kon daarna niet meer stuk. Stiefbeen en zonen, zei Lulu geringschattend in die tijd.

Vele jaren later kregen we Ulco, onze vorige en tweede boxer. Onze eerste boxer, Gwendolyn, was een Hollandse en erg bang. Ik had ergens in de literatuur gelezen dat Duitse boxers dominanter waren. Dus werd na Gwendolyn een Duitse reu binnengehaald. Ulco had binnen korte tijd alles bevestigd wat ik gelezen en zijn fokker mij beloofd had.
Hij was de baas thuis en in het veld en accepteerde buiten zijn familie niets en niemand. Ons kleinkind mocht niet door vreemden aangeraakt worden als wij daar niet uitdrukkelijk toestemming voor gaven. Ik ben negen jaar lang bijzonder trots en blij met hem geweest. Alleen tijdens de enkele voetbalwedstrijden Nederland - Duitsland, die in zijn leven gespeeld zijn, waren er kleine misverstanden. Hij kon dan toch zijn afkomst niet verloochenen en zat met een stiekeme grijns op zijn gezicht te smilen zodra zijn landgenoten weer eens op winst kwamen. Voor straf liet ik hem dan niet verder kijken, wat weer bitse reacties van Lulu opriep.
En nu maak ik me zorgen over straks. Ik moet zo meteen met Lulu naar een bruiloft. Een dochter van haar vriendin trouwt en je raadt het nooit …. met een Duitser, ook een cavalier ! "Kommt Zeit kommt Rat" zeggen de Duitsers. In goed Nederlands: "Komt tijd, weg fiets" of hoe was dat ook al weer?



(C)

FvdB

juni 2000

email me mailbus van Frants van de Bareschjop terug naar het archief