tek. Jef Caenen (met toestemming van zijn weduwe)

Kompel 2.

Na een weekje leermijn voelden wij ons al bijna echte mijnwerkers met de officiële status van hulpsleper en hadden geleerd hoe je stutten moest plaatsen - je sanitaire stops moest plannen en - last but not least een fatsoenlijke boeterplek kon creëren. Boeteren was de ondergrondse uitdrukking voor je boterham eten. Halverwege de sjiecht (dienst) had je recht op een kwartiertje boeteren. Vergelijk het niet met een gezellige lunchpauze met koffie en een gezapige klets. Nu kon wel even het stofmasker af want meestal stofte het zo erg dat je amper vijf meter ver kon kijken.
Het was bovendien een noodzaak om wat te eten en geen hongerklop te krijgen. Met heel eenvoudige middelen, meestal een paar plankjes, werd eerst snel een zitplekje gemaakt. Met een paar kompels kroop je bij elkaar, want dit was ook de enige gelegenheid om even te communiceren. De overige tijd was dat onmogelijk door het oorverdovende lawaai dat geproduceerd werd door de persluchtmachines. Van verplichte gehoorbescherming boven 85 dBa had nog niemand een flauw vermoeden. En bovendien je werkte op enige afstand van elkaar en communicatie ging hoofdzakelijk via zwaaien met je petlamp.
Het ondergrondse bestaan had een aantal karakteristieke trekken. Het was zonder meer macho. Er was geen plaats voor watjes. Lichaamskracht ging boven intelligentie. De zorg van de dag was: "Hoe krijg ik mijn stuk eruit?" Aan hogere wiskunde, Latijn of Engels had je niks.
Uitgemaakt worden voor "Slappe trekhond", indien je jouw pand (toebedeelde portie) niet gedolven kreeg, was een diepe ondergrondse vernedering. Eigenlijk, ging het gerucht, mocht die scheldnaam alleen maar op de bloedhete 810 meter verdieping gebruikt worden. Maar op de andere verdiepingen waren evenzeer krenkende benamingen in grote voorraad aanwezig.
In dat kwartiertje werd wat informatie uitgewisseld. Zowat dagelijks ging het over dorst en drinken. Iedereen had dorst, meer dorst dan voorradig drinken. De grootste drinkbus bevatte 2 liter, meer kon je echt niet in die enge ruimtes transporteren. Wie iets over dacht te hebben tegen einde dienst meldde dat nu reeds en stelde het alvast in de vooruit ter beschikking. Het was een onderdeel van de kameraadschap die zeer hoog gewaardeerd werd. Iedereen had erge dorst maar hield desondanks wat drinken over voor zijn kompel. Dit fenomeen ben ik nergens meer in mijn verder werkzaam leven tegengekomen. Iemand die het niet zelf meegemaakt heeft weet niet wat dit simpele gebaar voor gevoelens oproept.
Een oudere mijnvader had altijd drinken over, zelfs soms veel drinken. Hoe flikte hij dat? wilden wij nieuwsgierig weten.
"Ik pruim" zei hij "en daardoor hoef ik veel minder te drinken. De pruimtabak zet je speekselklieren tot grote productie aan en dat slik je af. Je moet het echter wel verdragen kunnen" merkte hij schijnheilig op. "Niet iedereen kan het verdragen".
Ik wist zeker dat ik er wel tegen kon en ik zou nu mijn prestige vestigen. Als de anderen de kat in of uit de boom wilden kijken was dat hun zorg, maar ik zou straks als een echte kompel boven komen. Ik zou straks, nonchalant, een klein bruin pruimsliertje uit mijn bek laten lopen. Ik zou mijn reputatie als pruimer voor eens en voor altijd in de analen van de Nederlandse Staatsmijnen doen opnemen.
"Mag ik een stuk pruimtabak van je hebben?" vroeg ik aan de mijnvader.
"Zou je dat wel doen kompel?" vroeg een collega kompel bezorgd. Hij had ernstige twijfels.
Ik wist het zeker, ik wilde aanzien, had nu geen tijd voor twijfelachtig getreuzel. Verstand komt (bij mij tenminste), evenals argwaan pas met de jaren!.
"Alleen als je alles afslikt!", eiste de mijnvader. Geen probleem, ik was in staat om alles te beloven en beet een groot stuk van de streng die hij mij voorhield.
De boetertijd was om en we gingen weer aan het werk. Mijn speekselklieren werkten inderdaad op volle kracht en de eerste minuten slikte ik alle speeksel dat ze produceerden door. Daarna werd dat onmogelijk. Als een geroutineerde pruimer kitste ik naar alle kanten. Ik had vaker gezien hoe de houwers (echte mijnwerkers) dat deden en nu ik dat op dezelfde manier kon voelde ik me ook een houwer.
Aan de euforie kwam echter snel een einde. Na een kwartiertje werd ik zo ziek als een hond. Je mag die troep namelijk helemaal niet afslikken. Vertwijfeld hing ik eerst nog aan mijn persluchthamer. Had niet meer de kracht om hem nog uit het kolenfront te trekken. Als een slappe vaatdoek lag ik even later langs de luchtslang.
De mijnvader die wist wat er zou gaan gebeuren had inmiddels, door hard fluiten en gezwaai met zijn petlamp, de rest van de bezetting geïnformeerd. Hij had een slachtoffer, het toppunt van de mijnhumor, leedvermaak om andermans ellende. Royaal werd ik bespot, men bood mij nog een pruimpje aan. Ik was zelfs te ellendig om me nog kwaad te maken. Als ik nu maar vlug doodging, het kon me allemaal niet meer schelen.
In alle slechte ervaringen steekt wel een leereffect heb ik veel later begrepen. En wat had ik hier geleerd? Dorst is erg, pruimtabak is erger en grootdoenerij is het ergst. "Glück Auf" mijn beste kompelvrienden! Hebt U ook pruimervaring? Deel die dan met mij! Kunnen we samen kitsen.



(C)

FvdB

nov. 2000



terug naar koelpiet
terug naar koelpiet