tek. Jef Caenen (met toestemming van zijn weduwe)

Kompel 6.



Op de mijn waren twee plekken waar veel sociaal contact was. De eerste plek was de zogenaamde loonhal, ook wel de vissenkom genoemd. Het was een enorme grote hal, gebouwd als eenn carré met in het midden nog één glazen vierkanten bak, de opzichterskamer. Hierin zaten achter de loketten, die inkeken naar de loonhal, de opzichters (de dienstverantwoordelijken) van alle afdelingen. Bij hun moest de kompel zich voor het begin van de dienst melden en kreeg hij de nodige instructies. De naam loonhal was ontleend aan het feit dat er ook wekelijks de lonen werd uitbetaald.
Om een voorstelling van grootte te geven, op dagdienst waren er wel een duizend mijnwerkers aanwezig. Op middag- en nachtdienst waren dat respectievelijk minder en veel minder. De meeste mijnwerkers waren ruim te vroeg aanwezig en bleven in de loonhal hangen, kletsen, sigaretje roken enz. Lekker bij elkaar blijven, de onderlinge kameraadschap "Het kompel zijn", werd hier gekoesterd.
De tweede plek, het badlokaal was ook enorm groot. Alle mijnwerkers hadden in het midden van deze immense ruimte aan haken, die ze via kettingen uit het plafond lieten zakken, hun kleren hangen. Rondom aan de buitenkant hingen de sproeiers, gewoon een duizend douchekoppen aan een netwerk van buizen. Alle douches liepen tegelijk. Er waren geen scheidingsmuurtjes, of iets dergelijks, want je moest elkanders ruggen kunnen wassen (poekelen).
Op de SM. Hendrik, waar ik werkte, had je indertijd vier schachten waarvan er drie ingericht waren voor personenvervoer. Iedere schacht had twee ophaalsystemen, dus vier liftkooien. Iedere liftkooi had vier verdiepingen waarop 20 man konden. Per schacht gingen 2x80 man naar beneden en tegelijk aan de andere kant naar boven. Het badlokaal was dus aan het einde van een dienst in een mum van tijd vol.
De kolenhouwers, pak weg zo'n 50 procent van de bezetting, waren dan vuil, intens vies vuil en nat van transpiratie en vooral doodmoe. Je hele lichaam, tot diep in de poriën, was zwart als houtskool. Alleen het wit van je ogen en tanden was nog wit. Ik dacht vaker: "Als mijn moeder me kon zien zou ze huilen."
De kompel had dan minimaal acht uur niet meer gerookt. In het badlokaal was roken verboden. Daar had iedereen schijt aan. Ik ga nu over op ondergronds vocabulair, zoals je merkt. Die natte, vuile kleren uittrekken was de eerste zorg. Gewoon op de grond op een hoopje laten vallen. Vervolgens de peuk aansteken, die je bij het betreden van het bad, 8 uur geleden zorgvuldig in een doosje opgeborgen had. Dan lekker spiernaakt met een paar man (meestal uit jouw eigen afdeling) samen op de tegelvloer gaan liggen en lekker de rook van die peuk inhaleren en drinken, een sloot koud water drinken. Het aardsparadijs op de mijn, wat hadden wij het toch goed.
Dat gevoel van samenzijn kan ik niet beschrijven, het was heel intens. Waarschijnlijk omdat er meestal wel enge dingen gebeurd waren, die je niet opnam. Iedere dienst waren er wel een aantal voorvallen waarbij je net geluk (koelgeluk was de uitdrukking) had. Een grote steen, formaat half huis, viel net naast je of op de plek waar je net geweest was. Een knappende lierkabel of -ketting raakte je net niet. Je werd net niet gegrepen of doorstoken door een stuk hout of ijzer dat uitstak uit de transporteur, enz. enz. In korte tijd waren we allemaal meester geworden in het negeren van dit soort voorvallen. Zodra deze bewust werden was je verloren en kreeg je de zogenaamde koelziekte. Mijnangst, een soort hyperventilatie.
En wij mannen kenden geen angst, was ons geleerd. Mijnwerkers waren echte mannen. Mijnwerkers wisten dat ze stoflongen zouden krijgen en er aan doodgaan toch kenden ze ... geen angst.
In het badlokaal waren altijd een paar leden van de mijnpolitie. Soms botte lummels, soms sociaal voelende medemensen. Ze moesten zogenaamd de orde bewaken. Ik zou niet weten hoe een kleine duizend hondsmoede, spiernaakte, zwarte mijnwerkers - opgesloten in een ruimte ver van de bewoonde wereld de orde zouden verstoren.
Tot ordeverstoring behoorde oa. ... roken. Soms was er een nieuwe of bijzonder fanatieke agent die er tegen optrad. Hij ging dan naar een roker toe en vroeg naar zijn naam en werknummer. We konden ons niet legitimeren, we hadden slechts een penning, die we moesten afgeven zodra we boven kwamen. Dat was voor de mijn het serieuze bewijs dat we levend boven het maaiveld aangekomen waren. Die agent moest er dan maar op vertrouwen dat hij niet bedonderd werd. In mijn tijd gaf iedereen, aldus gevraagd, de naam "Jan Boldoot" op. Als de agent dan naar het werknummer vroeg kreeg hij "4711" te horen. Gewoon de naam van een in die tijd populair parfum uit Keulen. Als hij bijvoorbeeld een groepje van tien rokers op de bon wilde slingeren kreeg hij ook tien keer die naam en dat nummer te horen.
En iedereen bleef doodernstig. Ten einde raad sommeerde zo 'n agent dan een willekeurig iemand, zijn kompel te identificeren. Steevast was dan het antwoord: "Die kompel? Dat is Jan Boldoot en zijn werknummer weet ik ook, dat is 4711".
In het bad hingen druppelflesjes, gevuld met slaolie, aan de muur. Die waren bedoeld om het kolenstof uit je oogkassen te halen. Kon je gemene ontstekingen van krijgen. Het werd tevens ook gebruikt als haarolie. Ook dit oneigenlijke gebruik was een verstoring van de openbare orde.
Ik heb menige lik slaolie in mijn pruik gesmeerd en me vaak moeten uitgeven voor die "Jan uit Keulen". Mijn kompels hebben dat ook altijd desgevraagd bevestigd.
Helaas, ik weet dat ze bijna allemaal nu niet meer leven. Zij waren namelijk echte mannen en zijn op de mijn gebleven. In tegenstelling tot mij, ik ben er als angsthaas weggegaan en kan nu nog "Glück Auf" zeggen.





(C)

FvdB

dec. 2000



terug naar koelpiet
terug naar koelpiet