tek. Jef Caenen (met toestemming van zijn weduwe)

Kompel 8.


Helemaal vrij van nostalgie wordt een mens schijnbaar nooit. Vooral in de eerste jaren na de mijnsluitingen werd er hier in Zuid-Limburg nog veel over de mijnen gemijmerd. Voor velen was de mijn het instituut geweest waaraan ze tot daartoe hun hele bestaan hadden gekoppeld.
Als je op de mijn werkte hoefde je niet veel te denken. De mijn dacht en zorgde voor jou.
Je belastingformulier werd voor je ingevuld, je winteraardappels (Zeeuwse Bintjes) kreeg je keurig en op tijd afgeleverd, de vrijstelling van militaire dienstplicht werd automatisch voor je aangevraagd, het verenigingsleven werd gul gesubsidieerd, Sinterklaasavonden georganiseerd, enz. enz.
De mijndirecties hadden niet graag kritische werknemers. Je iedere dag kapot (doodmoe) werken was de heilbrengende en zaligmakende leus. Daarvoor in de plaats kreeg je dan "Hoog loon en vast werk". Je gezondheid werd uiteraard geruineerd, maar dat was geen item. De Limburgers van die tijd konden veel verdragen en waren niet veel gewend.
Lastige gasten zoals ik, die praatten over mensonwaardige toestanden, werden heel vlug het etiket van communist of onruststoker opgeplakt. Dit was een van de reden waarom ik het na drie jaar voor gezien hield en mezelf plechtig beloofde nooit meer dieper, dan een kelderverdieping, onder het maaiveld te gaan.
Het zal halverwege de jaren zeventig geweest zijn dat Lulu, mijn vrouw door al die geromantiseerde verhalen die in haar werkkring circuleerden, plotseling te kennen gaf dat ze één keertje een ondergronds bedrijf wilde bezoeken. In België, hier vlak over de grens, waren nog een aantal mijnen in bedrijf en konden op zaterdag bezocht worden.
Ik wilde haar best gidsen en vakkundig voorlichten. Principes beginnen bij mij pas waar het verstand ophoudt, dus ik organiseerde een excursie naar het ondergrondse.
Met de halve familie en een stel vrienden werd op een mooie zaterdagmiddag de mijn van Waterschei met een bezoek vereerd. Waren bij ons in Nederland al miserabele toestanden, hier was het allemaal nog veel erger. Het badlokaal waar wij, de mannen, van kleren moest wisselen en douchen als je weer boven kwam was een grote vieze bende. Ik zag meteen al een aantal beteuterde gezichten. Van mij, de organisator, werd een propere oplossing verwacht. Nou die wist ik wel. Toen we het mijngebouw binnenkwamen had ik een grote, redelijk schone, hal gezien met een aantal kleerhaken aan de muur. Hier konden we ons magnifiek omkleden en onze eigen schone kleren achter laten. Hoe het bij de vrouwen uitzag wist ik niet, maar Lulu zou zich best wel redden, daar was ik zeker van.
Op de schacht kwamen de diverse groepen van die dag samen. Een groep bestond uit alleen maar dames!
Een mijnlift bestaat uit 4 kooien boven elkaar. Per kooi kunnen ongeveer twintig personen geperst worden. Ongeveer 80 mensen gaan met ongeveer 40 km/uur naar beneden of naar boven. Dat voelt best hard aan de eerste keer.
In Nederland was ik liftkooien gewend waarop je makkelijk rechtop kon staan. Hier in Waterschei waren de kooien gebouwd op de hoogte van de kolenwagens, hooguit 1,60 m tot 1,70 m schat ik. Ik ben een eind langer dus ik paste niet en moest heel diep buigen om mee te kunnen. Ook werden veel te veel personen op de kooi geperst, want in een trek (afdaling) moest alles beneden zijn.
Het eind van het persen en drammen was dat mijn snoet ongewild tegen de boezem van een van die weelderige Belgische madames gedrukt werd. Ik zweer het, ik vond het gênant en heb geen zondige gedachten gekoesterd.
Als ik me niet vergist heb, vond die dame het gelukkig helemaal niet zo erg en ze koesterde mij als een grote baby. Ze had een heel geruststellende hartslag, herinner ik me nu nog en ze rook lekker fris.
Gedurende onze gecontroleerde val naar beneden werden door die lieve dames geestelijke liederen gezongen. Te Lourdes in de bergen ... Mijnangst of dieptevrees vermoedde ik. We zakten in amper een minuut meer dan 1000 meter diep en strompelden in een donkere sauna uit.
We werden geteld en welkom geheten en vervolgens een eindje verderop in een veel te klein en stinkend personentreintje geperst.
Ik zorgde dat ik nu als laatste kon instappen, ik wilde mijn neus niet weer tussen andermans zaken stoppen.
We doolden vervolgens een paar uurtjes ondergronds en kropen door een heuse pijler waar die ochtend nog kolen gedolven waren. Ik kon als ex-koelpiet veel aanvullende informatie geven. Die vreemde, lieve dames stelden vele interessante vragen en ik groeide enorm in mijn nieuwe rol. Eindelijk na 10 jaren toch nog erkenning als mijnwerker. Godju, doodzonde dat ik nu geen sjiek (pruimtabak) had. Zou kolossaal geweest zijn als ik een paar keren nonchant in de vulling had kunnen kitsen.
Lulu vond dat gekoelpiet maar allemaal niks en vertoonde jaloerse trekjes. Als blikken konden toveren was ik daar ondergronds waarschijnlijk doofstom en stekeblind geworden!
Uiteindelijk kwamen we ook weer boven, pikzwart en kliedernat van de transpiratie.
In het badlokaal stond een grote trechter waarin we onze vuile kleren kwijt konden. Ik gaf het voorbeeld zoals het moest, kleedde me uit en gooide mijn vuile kleren weg door de koker. De houding van een blote kompel is mooier dan die van een burgemeester in driedelig kostuum, vertelde ik mijn sprakeloos gehoor. Vervolgens gingen we douchen met een stuk echte Sunlight zeep. De tijd had tien jaren stilgestaan, meldde mijn reukorgaan.
Ik waste voorbeeldig de geribbelde rug van mijn, toen nog magere, zwager. Dat moest gebeuren zoals ik het deed in ronddraaiende bewegingen en werd poekelen genoemd, vertelde ik de anderen.
Tevreden constateerde ik dat iedereen goed opgelet had en op zijn beurt ook goed gepoekeld werd. Niemand zou met een vuile, zwarte poekel thuis komen.
"Hoe komen we nou aan weer aan onze eigen, schone kleren?", wilde mijn bezorgde zwager weten. Hij had en heeft nog, een aanleg voor domme vragen.
"Gewoon halen," vertrouwde ik hem toe. "Mijnwerkers zijn gewend zonder kleren te lopen en wij zijn nu toch echte kompels, niet?" Dit werd volmondig bevestigd.
Stel je voor even later, een dozijn mannen in de bloei van hun leven, stuk voor stuk stukken (ahum) liepen in Adamskostuum door de gang van het mijngebouw. We betraden één voor één door de draaideur, nonchalant en fier de grote hal.
Grote goden, de hof van Eden maar nu in de nachtmerrie uitvoering. Hier waren, godju, al die vreemde tantes zich aan het omkleden. De meesten waren ook nog in maagdelijk Evakostuum.
Dit was in de lange historie van de Belgische mijnen nooit eerder voorgekomen, heeft men mij naderhand, zeer opgewonden verzekerd.
Hun ogen puilden evenals de onze een moment uit, blikken flitsten over en weer. Nerveus werd een brokje in de keel weggeslikt. We moesten door, er was geen weg terug. De draaideur perste iedere seconde de volgende Adam de hal in. Niemand zij iets. Bedaard en toch hypernerveus namen we onze kleren van de haken en gingen weer weg, over hetzelfde pad als we gekomen waren. De een na de ander, niemand zei een onvertogen woord of wierp foute blikken. Niemand veranderde in een zoutpilaar.
Toen de laatste van ons weer door de draaideur op de gang gekomen was hoorden we een aarzelend applaus opklinken in de grote hal. De dames waren niet boos of geschokt, vermoedden wij en kleedden ons gerustgesteld en luid kwekkend aan.
Na een kwartiertje stond een briesende hoge mijnpief bij mij.
"Of die vermaledijde Ollanders dan elemaal geen respect adden voor brave Belgische ordezusters"?
Ik ben zeker 10 minuten van de wereld geweest.
Het ergste zou nog komen. In het eerstvolgende carnaval werd alles nog eens dik overgedaan en werden wij afgeschilderd als de Casanova's van de Belgische Kempen. Het grote aantal uittredingen uit de Vlaamse kloosters werd daarin zelfs op ons conto geschreven. Het was weer het oude liedje, carnavalshumor leek verdacht veel op mijnhumor.
Ik kon er in ieder geval nu wel om lachen. Leiderschap was nu eens niet ontaard in lijderschap.
Ik zeg nu niet weer "Glück Auf" om te besluiten. Ik houd het op "Ave, lieve Belsje zusterkes".


NB. Dit verhaal heb ik niet verzonnen, het is echt gebeurd. Daarom heb ik het fotootje dat indertijd van onze groep gemaakt is meegestuurd.



(C)

FvdB

dec. 2000





terug naar koelpiet
terug naar koelpiet