Kerst 1958.
Was de eerste kerst in mijn werkzaam leven. Tot dan toe hadden alle kerstvieringen zich afgespeeld in een sfeer van vakantie, uitslapen en lekker
veel lezen. Dat was nu radicaal anders, als hulpsleper (laagste ondergrondse funktie) op een steenpost. Nu ik zes dagen per week
ondergronds werkte, had ik nog maar een behoefte ... uitrusten.
Nog nooit in mijn jonge leven was ik zo lang en zo intens moe geweest. Mijn lichaam maakte van iedere geschikte gelegenheid gebruik om te
recupereren, hoewel van Agt dit woord pas 20 jaren later aan de Nederlandse woordenschat toevoegde. Op de gekste plaatsen kon ik in slaap vallen,
vooral als ik een week nachtdienst had gedraaid. Mijn biologische klok liet zich niet zomaar van slag brengen en eiste voortdurende synchronisatie aan
mijn organen.
Kerstavond 1958 was op een woensdag, maar voor het zover was moest er nog een nachtdienst gedraaid worden. In verband met de feestdag waren die
dag alle diensten 2 uur verkort en vervroegd. We gingen dus om 18 uur 's middags naar beneden en kwamen om 24 uur weer boven. Dan kon vlug
gedouchet worden en was de nachtmis die om 0.30 uur, in een mijnwerkerskerkje bij de mijn begon, net te halen. Want in die tijd was het ondenkbaar
dat je met kerstmis niet in de kerk kwam. Zelfs een zwarte, ongelovige Thomas ging met kerstmis naar de kerk, ik dus ook.
Ik werkte in die tijd op een z.g. steenpost, we waren bezig met het afdiepen van een tussenschacht, ergens tussen de 700 en 800 meter verdiepingen
op de Staatsmijn Hendrik. Met een grote lier werden personen en goederen door middel van een zo genaamde kiebelton naar beneden of naar boven
getransporteerd. In zo'n ton pasten een man of vijf dicht op elkaar. Op onze sjiecht werd ze bediend door een Pool. Iedere keer als de ton in
aantocht was gaf hij een bepaald belsignaal en riep vervolgens hard om ons te doen opschieten: "Fünf Mann durch". De volgende vijf
personen konden dan dichterbij komen om in te ton te klimmen, zodra die enigszins stil hing.
Die sjiecht (dienst) was goed verlopen, we hadden niet veel uitgevoerd want onze opzichter wilde geen ongelukken met de kerst. Ruim op
tijd was ik al in het kerkje en zocht een gezellig plekje. Achter in de kerk stond een kolossale kaarsenbak. Er brandden wel een honderdtal kaarsen
in, die een warme gouden gloed verspreidden en bedwelmend geurden. Ook ontdekte ik dat daar een paar kompels (ondergrondse collegae)
zich reeds op hun pungel geparkeerd hadden. De pungel, dat waren je vuile ondergrondse werkkleren, die je op het einde van de week in een blauwe
handdoek knoopte en mee naar huis nam om te laten wassen. Het was een ideaal ding om op te zitten als er geen zitplaats voorhanden was.
We sjwaegelden (raadspelletje met verborgen houtjes in de vuist) een paar potjes en bromden wat kerstliedjes mee. De Stille Nacht kon
nu aanbreken. Onze geesten waren erg gewillig, ons vlees was echter heel zwak. De een na de ander raakte bedwelmd door moeheid en viel in slaap.
Ik dus ook en ... stond weer beneden aan de schacht.
Ik moest naar boven en vlug een beetje ook, want ik moest de nachtmis halen.
Waarom riep die slome Pool nou niet dat ik door kon komen? De kiebel hing er toch al?
Oh, het klaar-signaal moest nog gegeven worden!
Ik zag hem met zijn arm het stereotiepe gebaar maken. Eén keer één korte ruk aan de seinhamer.
Diiiiiing.
Een misdienaartje had op zijn gong geslagen, bleek achteraf.
"Fünf Mann durch", riep ik luid ... en sprong slaapdronken op.
Een paar honderd gelovigen keken mij, klaarwakker en ongelovig, aan.
Ik keek op dat moment dommer dan de ezel van de kerststal.
Ieder jaar met kerstmis denk ik wel een keertje aan deze consternatie tijdens de consecratie.
Gelukkig zijn de mijnen gesloten en ben ik geloof ik, ondanks die sluiting, bij- en ongelovig geworden.
Jammer dat het kerkje afgebroken is en de kaarsenbak waarschijnlijk versmolten maar ... in mijn beleving, heeft het kersfeest toch een stukje
van zijn oude warmte behouden.
(C) |
 |
dec. 2000 |
|