Wij Limburgers 2.
Na een plechtigheid - bruiloft, begrafenis - of doop zoals in dit geval van kleine Frenkie behoort een koffietafel. Dat is een gebruik en dat hoort zo en zal hier in lengte der dagen zo blijven. Voor deze speciale gebeurtenis was een zaaltje met toebehoren van een bekend café afgehuurd. Al is ons Zuid-Limburg schijnbaar niet meer zo groot als vroeger - toen er nog geen autowegen waren - was de reistijd soms wel degelijk lang. Vandaar dus dat de gasten nog altijd onthaald worden. Immers je moet je niet afsluiten voor het nieuwe maar je moet ook het goede oude bewaren. Bovendien, de schutters hadden zich voor de volle 100 procent ingezet en dat moet beloond worden. Ik kan wel tien gemotiveerde redenen geven waarom een koffietafel noodzakelijk is, zal dat hier echter achterwege laten.
De opening is altijd met broodjes. Met dikke plakken rauwe of gekookte ham, dito minstens 40+ of volvette kaas en besmeerd met roomboter. Bent U vegetariër of lijdt U aan verhoogd cholesterol, vergeet het voor een keer. Nu hebt U weinig keus. Naar thee kunt U fluiten. Thee wordt alleen aan bedlegerige patiënten geschonken. Limburgers drinken bij zulke gelegenheden alleen goede koffie of nog sterker. De dag is immers nog lang, nietwaar? Welwaar! Juist, goede gebruiken moet je niet laten inflateren. Punt.
Daarna, in de tweede ronde is er vlaai. Gezonde versgebakken Limburgse vlaai. Met zoete of zure kersen, gele of blauwe pruimen, abrikozen en onze onvolprezen rijstevlaai - alles uiteraard met en zonder slagroom. Je neemt minstens van ieder soort een stuk om de gastvrouw niet voor het hoofd te stoten. Goede tafelmanieren staan hier voorop, zoals U merkt.
Daarna, je bent dan wel een uurtje verder, zet je een inmiddels knellende broekriem een gaatje losser en neemt minstens een stukje slagroomgebak. Als je nu voor meer, vriendelijk bedankt is de gastgever gerustgesteld. Er was genoeg voorradig, niemand zal zich beklagen. Ik zag menigeen fluks drie, vier hapklare brokken opscheppen. Dat zijn echter de uitzonderingen, die tref je overal aan.
Het protocol vereist dat de dames het nu inmiddels dreinende en jengelende kroost, onderhoudend gaan bezighouden. De mannen kunnen zich dan in belangrijke wereldzaken, zoals de plaatselijke politiek en voetbal gaan verdiepen.
De tap is dan inmiddels ook gaan lopen. Wat tap, alle tappen bedoel ik. Wil je een snel opkikkertje, een jonge of een ouwe schnaps, een echt cognacje? (Vieux is minder gepast) Het kan allemaal, alleen Spa of iets dergelijks wordt hier geïnterpreteerd als vloeken in de hemel. Voor het gebruik van alcoholvrij bier wordt ernstig gewaarschuwd. Een blaasontsteking is wel het minste waarop je moet rekenen. Een plaatselijke tip? Neem een kopstootje. Een glaasje jenever in een glaasje pils. Is uitermate goed als spijsverteringsmiddel, het voorkomt indigestie.
Ik had een defensief plekje gezocht, in de achterhoede. Ken de gevaren van strategisch dicht bij de tap staan. Wissel ook vaak mijn bijna nog vol glas om voor een reeds net leeg glas van een buurman. Op die manier hoef ik bij een nieuw rondje, en die gaan vlug hier, bijna nooit nee te zeggen en zo mijn eer verliezen.
Mijn buurman was een (nog) jonge schutter, een geweerdrager. Desgevraagd, door mij, liet hij zijn wapen zien dat hij in een hoekje gezet had. Ik herkende het als een vierde- of vijfdehands Garant. Met zo'n ding had ik ook gezeuld, als rekruut zeesoldaat, 40 jaren geleden. In een vlaag van verstandsverbijstering nam ik het ding in de houdgreep. Wist niet meer hoe ik het geweer "In den Arm" moest nemen, was dat links of rechts?
Hij zei dat het links moest en toonde me weer hoe het moest. Dit is natuurlijk fout. Door zulke intimiteiten kom je geestelijk te snel dicht bij elkaar - je wordt vriend van iemand die je niet kent - op grond van in dit geval een paar sentimentele nozemflarden.
Samen namen we er eentje en nog eentje, ik mocht hem niet voor het hoofd stoten door te weigeren, vond hij. Hij wilde weten of ik in het leger was geweest en waar en hoelang en of ik er ooit iets spannends beleefd had. Ik vroeg op mijn beurt of hij ooit dienstplichtige soldaat was geweest.
Natuurlijk niet. Hij had te kennen gegeven daar niets voor te voelen in verband met zijn maatschappelijke carrière, had ernstige mankementen geveinsd en men had hem daarna met rust gelaten.
De ban en daarmee onze band was gebroken, het was uit tussen ons. De pils smaakte niet meer. Ik bestelde een Spaatje voor mij. Ik kon deze, nieuwe lichting Limburger, toch niet gaan vertellen over mijn diensttijd als marinier op Curaçao. Dat wij, oud gediende Limburgers, toen trots waren om uitgezonden te worden. Dat wij toen lak hadden aan een maatschappelijke carrière. Die kwam vanzelf als je ouder was. Toch twijfel ik nu. Ben ik nog wel een echte Limburger?
Het zal toch niet zo zijn dat ik een oude zwamneus ben geworden?
(C) |
 |
mei 2001 |
|