Wij Limburgers 3.
Wij Limburgers zijn populair. Welke landgenoot kent ons niet? Wie, van buiten Limburg, heeft nog nooit trots opgemerkt? "Aha, ik hoor het. Jij bent een Limburger!" Wij wonen in het mooiste stukje van ons land. Wie is hier nog nooit op vakantie geweest? Limburg doet ook denken aan ruimheid van hart. Een aantal van mijn werkzame jaren verbracht ik beroepshalve in het westen van het land. Ik proefde daar vaak vooroordelen tegen de zogenaamde randprovincies, saai, stom, achterlijk, waren de meest gebruikte termen. Limburg was de uitzondering, Limburg wordt meestal in verband gebracht met vrolijkheid, muziek, feesten en natuurlijk .... carnaval.
Ik kijk graag naar de geografische positie van deze streek. Al zo'n duizend jaren vormt deze een eenheid. De bewindvoerder werd vroeger nog wel eens vervangen. Hier hebben de invloeden van Franse despoten, Duitse cq Oostenrijkse potentaten en de heren van Hollandse republiek hun sporen nagelaten. Als wingewest bewoner werd de Zuidlimburger geacht geen eigen mening te hebben. Elders werd voor hem gedacht en dat werd hem per decreet medegedeeld.
Hieruit had de doorsnee Limburger tot pak weg 1950 een houding ontwikkeld waarbij hij over alles een uitgesproken mening had. Alleen hij uitte die niet. Erger nog, hij verkondigde zonder gewetensnood wat anders indien hem dit gepast uitkwam.
Hierop berust eigenlijk ook een carnavalsprincipe, denk ik. Een soort Tijl Uilenspiegel spel. De gezag dragende overheid een lachspiegel voorhouden, belachelijk maken door haar overdreven te roemen en zo helemaal op het verkeerde been te zetten. Als je dit niet doorziet kun je beter met carnaval niet het zuiden bezoeken. In het Rheinlandse (Duitse) carnaval zie je dat nog veel duidelijker. Verwijfde, macho mannen verkleed in prachtige gala uniformen uit het leger van Napoleon, of van der alte Pruisische Fritz. Beide plagen overheersten daar. Door het door hun verafschuwde militaristische gedoe te imiteren en daardoor belachelijk te maken, ontstond hun verzet. Door de uitheemse gezagsdragers in hun zogenaamde broederschap ordes (carnavalsverenigingen) op te nemen en met nep medailles te behangen. Aan het eind van het feest moest uiteraard de hooggeprezen en bejubelde gast zelf het hele gelag betalen. Dit was hun geweldloos verzet. Prachtig toch!
Een Limburger heeft ook een grote vrijheidsdrang. Hij voelt zich Nederlander, geen Hollander. Hij stelt vaak zijn eigen prioriteiten. Als dienstplichtige ging ik op carnavalsmaandag niet terug naar de kazerne. De Russen zouden beslist geen misbruik maken van mijn absentie, was mijn stellige overtuiging. Mijn commandant, een nuchtere Hollander, dacht daar anders over. Ofschoon hij mijn logica niet weerleggen kon, deelde hij mij koud mede dat ik in oorlogstijd gefusilleerd kon worden.
En daar zat hem nu net de kneep, het was carnaval en geen oorlog, betoogde ik.
Waarom had ik me niet gewoon ziek gemeld wilde hij weten, dan had hij dat gedram niet aan zijn kop gehad.
Limburgers zijn met carnaval en ook tijdens een oorlog niet ziek, deelde ik hem waardig mede. Hij dacht diep na, stelde een strikvraag: "Wat zou ik volgend jaar met carnaval doen"?
"U uitnodigen voor het carnaval", antwoordde ik, "waarschijnlijk eindigen we dan samen voor het vuurpeloton".
Hij misbruikte op een slimme manier zijn macht. Ik moest één avond corveeën, op zijn kamer. Hem vertellen over ons carnaval.
Een Limburger kun je dus niet commanderen. Je moet hem overtuigen, op zijn gemoed werken. Dan heb je een hele goeie aan hem, zeggen ze hier. Echt waar!
(C) |
 |
mei 2001 |
|