Wij Limburgers 4
De meeste Limburgers, tenminste vroeger, hadden een sterke familieband. 's Zondags na de noen (nona hora = negende uur na 's morgens zes uur, alleen voor ex-kerkgangers) werd er naar de vader en de moeder gegaan. De vader en de moeder waren de opa's en de oma's. Zij fungeerden als de centrale huiskamers van de familie. Hier werden door de vrouwen de wekelijkse beslommeringen uitgewisseld en werd vervolgens aandachtig naar wijs advies geluisterd. De wereld was toen niet gecompliceerd. Voor bijna ieder probleem was een oplossing of minstens een goede raad. Tegenwoordig is er al vaak geen probleem voor de spontaan aangeboden oplossing en de goede raden zijn zelfs onbeperkt. Tijden veranderen, problemen insgelijks, gratis goede raden vermenigvuldigen zich zelfs. We leven in een mateloze tijd. Er waren nog nooit zo velen ongelukkig.
Mijn vader had zes broers en een zus. De zus was de jongste en dus veroordeelt om de vader en de moeder tot hun dood te verzorgen. Zij heeft dat met liefde gedaan en had dus geen tijd voor een eigen man of eigen kinderen. Zij had wel zo'n 20 kinderen van haar geliefde broers op zondagavond te verzorgen. Later, toen zij inmiddels oud was, heb ik veel met haar gepraat. Vaak heb ik me verwonderd over haar levenswijsheid en haar geluk met haar lot.
Mijn opa was een grote boer geweest. Hij woonde nog op een kolossale boerderij, alhoewel hij in de tijd die ik me nog herinner, al bijna geen vee meer had. Hij peinsde er niet over zijn hof te verlaten of te verkopen. Hij genoot groot aanzien in het dorp, men beschouwde het als een voorrecht om bij hem op zondagavond voor het avondeten te worden uitgenodigd.
Dat avondeten vond dan plaats in de grote keuken. Aan een reusachtige tafel, zaten de hele familie plus de genodigden. Mijn tante moest dan koken voor minstens 30 tot 35 man. Stelde niet zo veel voor als ik haar geloven mocht, ze deed het graag.
Na het avondeten werden dan de bokken van de geiten gescheiden. De dames van klein tot groot kropen (in de winter) vooraan in de eetkeuken rond het kookfornuis. Wij mannen in de donkere praathoek achter bij de roodgloeiende, staande stoof. Eerst werden er een paar boompjes (kaartspel) gekaart, waarbij wat sterks werd geschonken. Meestal was dit zelf gestookt spul van fruit (soort eau de vie) en behoorlijk sterk. Het kaarten werd gestaakt zodra de alcohol zijn invloed deed gelden en een paar kaarters niet meer wisten wat troef was. Dan was het tijd voor de sterke verhalen. Het nuchtere elektrische licht werd gedoofd (waarschijnlijk om het liegen minder opvallend te maken) en in het geheimzinnige rode schijnsel van de potkachel werden de sterke verhalen opgediend.
Van de genodigden werd verwacht dat ze nu een stevige bijdrage leverden. Als hun aflevering tegenviel konden ze een volgende uitnodiging wel op hun buik schrijven. Ik ben het precieze van al die verhalen vergeten. Ik heb ze waarschijnlijk en misschien ook wel gelukkig niet begrepen. Een ding ben ik echter nooit vergeten, mijn vader die nooit bang was, die ik in de hele oorlog nooit heb zien paniekeren was een keer helemaal van slag. Toen we het 's avonds laat in het stikdonker naar huis gingen was hij niks op zijn gemak. Hij bleef om zich heen kijken en toonde tekenen van lichte paranoia. Eindelijk thuis aangekomen deed hij overal het licht aan en dat is die hele nacht blijven branden. Een unicum.
Of de verteller van die avond nog een come back heeft gehad kan ik me ook niet meer herinneren. Ik denk het niet want ik hoorde in de week erna, van een neefje, dat hun vader thuis onder alle bedden en in alle kasten gekeken had.
(C) |
 |
mei 2001 |
|