Woensdag 1
De woensdag is altijd een bijzondere dag geweest. Als schoolgaande knaap verheugde ik mij op de vrije woensdagmiddag. Kon ik met mijn vriendjes naar het bosje, achter het kerkhof, cowboy spelen. Dit spel, wie het bedacht had wist niemand, kwam er op neer dat de cowboys een aantal indianen gevangen namen en vervolgens dienovereenkomstig behandelden. Alleen aspirant cowboys leenden zich hiervoor. Hooguit na twee behandelingen eisten zij dan hun rol als cowboy op en wensten ook indianen af te zeiken. We hadden dus geregeld een woensdagmiddag probleem. Bij gebrek aan gewillige vrijwilligers, het vrijwilligers indianenwerk was nog niet bedacht, gingen we over tot het oproepen van dienstplichtigen. Dit gebeurde door aan de dorpspomp een mond vol water te nemen en door de brievenbus van een minder populair (sterk) vriendje op de gang te spuwen. Indien je door ons watermerk getroffen werd wist je dat deze schande alleen niet herhaald zou worden, indien je vrijwillig de volgende week als indiaan diende.
Onze aanvoerder Arendsoog die, hoewel hij vreselijk loenste, heel trots was op zijn titel had geregeld een ander woensdagmiddagprobleem. Zijn vader, een huisschilder, nam het ”Gaat en vermenigvuldigt U” erg letterlijk en zorgde om de 10 maanden voor een dopeling bij mijnheer pastoor. Geregeld werd hij, onze Arendsoog dus, op woensdagmiddag opgescheept met de zorg over een brullende zuigeling, die in een vierdehands kinderwagen werd meegezeuld. Dit leverde in de praktijk van - indianen jagen, gevangen nemen, streng ondervragen, aan een boom vastbinden en vervolgens gepast folteren door een vuurtje aan hun voeten te stoken - emotionele problemen op. Onze Arendsoog delegeerde op de meest ongelukkige momenten, flesje geven, boeren laten, baby wiegen enzovoorts aan een minder gelukkige cowboy. Deze kwam dus niet meer in zijn spel. De lol ging er van af, we geraakten hoe langer hoe meer in een midweek crisis. Hoe kon je nou in jongensnaam een indiaan aan een pijnboom binden en voorzichtig roosteren als de cowboy naast je, de bescheten keuter onder zijn arm een flesje gaf, of nog erger op zijn vinger liet sabbelen. Dit was geen mannenwerk meer, dit was ouwe wijvenwerk, hier moest streng tegen opgetreden worden.
In onze blokhut, een oude kazemat achter het kerkhof werd, bij gestolen kaarsenlicht, vergaderd - het liefdesleven van de huisschilder geïnventariseerd en de noodzakelijke oplossing bedacht. Uiteindelijk hadden we twee plannen die kans op succes boden. Plan één was een idee waarop meneer pastoor ons gebracht had. Hij had in de klas verteld hoe Mozes in een rieten mandje op de Nijl was uitgezet. Door onze dorp stroomde ook een beekje, de Rode beek. Als we onze verveellap nu in zijn kinderwagen in de beek dropten zou hij naar Duitsland drijven en konden ze hem daar adopteren. Daar zou verder geen haan naar kraaien, want in Duitsland waren tengevolge van de pas afgelopen oorlog weinig kindertjes, hadden we gehoord. Helaas de beek was te ondiep. Onze Mozes dreef hooguit 50 meter en liep aan de grond. Wachten op hoogwater duurde veel te lang. Dus plan twee moest in de uitvoering.
De volgende woensdagmiddag werd dit gerealiseerd. Arendsoog kwam met het jongste pronkstukje van zijn vader, onze kwelgeest, in de oude kinderwagen. Onder in de kinderwagen had hij een weckglas met kersen verborgen. De kinderwagen met zijn bemanning werd de helling bij het kerkhof opgeduwd. De kleine die nog vredig sliep werd bruut gewekt en een paar maal flink geknepen zodat hij het op een schreeuwen zette. Een zestal heldhaftige cowboys maakten hem vervolgens zo lang bang, totdat hij oorverdovend te keer ging. Dat was prima. Toen werd hem de inhoud van het weckglas in zijn gezicht en over zijn nek gesmeerd. Vervolgens werd hij in zijn wagentje de helling afgeduwd. Alles ging perfect, de wagen rolde met een rot vaart naar beneden en sloeg over de kop. De kleine ging, zoals gehoopt, als een sirene te keer. Hij was zo op het eerste gezicht en gehoor in ieder geval zwaar gewond, voorlopig waren we van die afleider verlost. Ik was uitverkoren (omdat ik de onnozelste smoel had) om zijn moeder de treurige boodschap te brengen. Dat was zelfs niet nodig. Ze had hem al gehoord en kwam luid kakelend aangerend. Eindelijk konden we op ons gemak een indiaan, volgens de regels van de cowboytiquette gaan behandelen. En dat was meteen ook de laatste keer.
Avonds kwam de huisschilder bij mijn vader op bezoek. In een korte beschouwing gaf hij een verslag van het kruisverhoor dat hij onze Arendsoog had doen ondergaan. Deze had, ondanks de plechtige eed die hij gezworen had op het insigne van de ”Special Services” (Engels legerkorps) dat we als geheim relikwie in de kazemat bewaarden, jammerlijk doorgeslagen. Alle cowboys waren bekend. De sociale controle in die tijd was heel anders dan nu. Uitgerekend mijn vader stelde voor dat ik, voorlopig op woensdagmiddag maar, zijn Arendsoog en de andere cowboys helpen moest bij het schuren van oude verf van deuren en ramen. Hij rekende er op dat de huisschilder ons en zeker mij, in het bijzonder, de kneepjes van het schuurvak tot in de finesses zou bijbrengen. Enige hardhandigheid van de schilder, in geval van onwilligheid bij mij, had zijn volledige instemming.
Sinds die tijd heb ik een vreselijke hekel aan klussen waarbij schuurpapier en krabgereedschap van toepassing zijn. Ik kijk ook nooit naar cowboyfilms, die missen de dramatiek van de kerkhofhelling. Ik ben helemaal om, sinds die tijd sympathiseer ik met blank hardhout en de nog resterende platvoetindianen.
(C) |
 |
jan. 2001 |
|