Roffels 2.

Ons dorp werd en wordt nog door een beek, op kaart - de Rode Beek - maar in de volksmond - overeenkomstig de geurende werkelijkheid - de Keutelbeek genoemd, in tweeën verdeeld. De oostzijde, bestaat uit arme zandgronden en bos. Hierop woonden hoofdzakelijk mijnwerkers en een paar keuterboertjes. De westzijde bestaat uit de vruchtbare Limburgse löss, hier woonden dus de beter gestelden. In de loop der tijd waren uit deze grondsituatie heel wat tegenstellingen en concurrenties ontstaan. Alles in ons dorp was minstens dubbel, muziekverenigingen, schutterijen, carnavalsverenigingen, maar ook de scholen en de kerken. Uiteraard meende en probeerde iedere vereniging of instantie te zorgen dat zij de beste was. Dit leverde vaak bij de muziekgezelschappen een hoge kwaliteit op.
Ons ”Trommel- en Fluitencorps” was een uitzondering. Wij waren niet zo erg muzikaal, wij waren al helemaal niet deftig en we hadden geen reputatie. In onze gelederen bevonden zich geen notabelen. Wij hadden geen beschermheer en ook geen mecenas. Wij waren lolbroeken en deugnieten. Als we ergens ver weg op concours gingen namen we een paar zelf gekochte bekers mee en stalden die bij terugkomst als verworven eerste of ereprijzen, trots uit.
Aanzien kun je door volharding en vlijt verwerven, dacht onze voorzitter waarschijnlijk en uiteindelijk had hij succes. Hij strikte de echtgenote van de burgemeester als beschermvrouwe. Vriend en vijand waren stom verbaasd. Doemdenkers voorspelden dat die bescherming hooguit een half jaar kon duren.
Onze strikkende voorzitter sprak ons streng toe. Onze performance moest verbeteren. Aan het buitensporig veel drinken in den vreemde moest een einde komen. Dito aan de vele amoureuze avontuurtjes. Hij wilde geen klaagpost meer ontvangen van buitenlandse aanstaande moeders. Wij waren muzikanten en geen overpotente versierders. Een speelman merkte op dat in het kader van de Wiedergutmachung, de Duitse meisjes bijzonder hun best deden. Als je dit als Nederlander op zijn beloop liet werd dat opgevat als een nationale belediging. Die man had een ver vooruitziende blik. Hij sprak over een toekomstig verenigd Europa, grenzen zouden wegvallen, de aparte volkeren zouden in elkander opgaan. En dat alles dank zij ons pionierswerk met de lekkende dwarsfluiten en strak gespannen vellen. Ontroerd namen we nog een stevige slok.
Onze beschermvrouwe, beschermd door haar gemaal, vergezelden ons naar Sint-Vith. Op de heenweg hadden zij in onze betere supporters bus gezeten. Nu, midden in de nacht op de terugweg, vergezelden zij ons in onze gammele oude muzikantenbus, die wij om budgettaire reden huurden en zelf reden. Niemand van ons had dit verwacht of was erop voorbereid. Erger de ene helft was stomdronken en de andere helft gewoon dronken. Ook onze chauffeur was niet helemaal nuchter. (Halverwege de vorige eeuw was dit zelfs niet verboden).
De stemming was meteen top, onze beschermvrouwe bleek een vrolijke natuur te bezitten. Ze vond het prima dat ze opnieuw met haar burgemeester in de echt werd verbonden. Ze zou een fantastische huwelijksnacht tegemoet gaan, verzekerde onze ceremoniemeester haar. Wij hadden een grappenmaker aan boord, die heel bedreven was. Onze voorzitter probeerde te redden wat te redden viel voor het te laat was en stelde tevergeefs voor wat muziek te maken. Helaas, iedereen wilde getuige zijn van het tweede huwelijk. Binnen de kortste keren lagen we dubbel van het lachen. Behalve de burgemeester, want hij was het mikpunt van de spot. Voorlopig gedroeg hij zich als de boer met ontstoken verstandskiezen.
De ceremoniemeester vermoedde dat hij een vlo op zijn lijf had en verzocht halverwege de plechtigheid toestemming om zijn hemd uit te trekken en uit het raampje van de bus te laten uitwaaien. De chauffeur meldde, volop bezig in een steile afdaling vol haarspeldbochten, dat de remmen van de bus niet meer goed werkten. Dolle pret, iedereen dacht dat het een grapje was. Toen we een paar seconden later amper een paar bomen misten, beseften we dat het menens was. Het was plots doodstil, toen schoot onze burgervader uit zijn rol. Vloekend en tierend schold hij onze voorzitter de huid vol. Zijn eerste en kakelverse tweede vrouw, onze beschermvrouwe kreeg hem niet gekalmeerd, hij raasde aan een stuk door. Hij was niet meer voor rede vatbaar totdat onze chauffeur wat later doodleuk meldde dat hij weer alles onder controle had. Hij had toch gewoon een geintje uitgehaald.
In onze bus werd weer opgelucht ademgehaald, maar niet voor lang want wat rook er zo penetrant? Het was onze burgervader, uit angst had hij in zijn broek gedaan. Finaal ontredderd zat hij half op en in zijn ellende. Wij zijn op een geschikt plekje gestopt en hebben hem alle tijd gegund om een en ander op te knappen. Door zacht en lekker rollend te roffelen hoopten we de geesten weer goedgezind te krijgen. Wij hebben er ook nooit over gepraat. Na 45 jaren ben ik de eerste die er over begint.




(C)

FvdB

juni 2001

email me
mailbus van Frants
terug naar het archief