Hondse banden
Probeer een paar keren per dag door inspanning buiten adem te geraken, was een van de adviezen die de cardioloog mij ooit meegaf. Gegeven het feit dat ik een geen held ben, die eigen eigenwijze eigen meningen huldigt, beweeg ik dus veel. Een paar uurtjes speedmars dagelijks, is best gezond denk ik. Huidig probleempje, niemand wil nog met me mee, zelfs mijn hond verstopt zich op warme dagen in de tuin. Mijn Lulu zegt ronduit dat ik niet normaal ben, wie loopt er nu zo hard en zo lang bij zo'n warm, koud, nat, winderig weer.
De laatste tijd gaan we dus vaker fietsen. Dat is ook best leuk en veel frisser, aldus mijn wijze eega. Klein probleempje daarbij is dat ik verantwoordelijk ben voor het uitgezochte parcours. Daar mogen geen heuvels in zitten en er mag geen stevige bries tegen waaien. Hier, in Zuid-Limburg, wordt het dan wat moeilijker om een geschikte etappe samen te stellen. Dit is een speciaal fietsgebied, het gaat hier altijd bergop en er staat altijd een kopwind. Eigenlijk dus heel gezond, refereerde ik aan de woorden van de cardioloog. Eerder gekkenwerk, veroordeelde mijn Lulu.
Ik dacht eindelijk het ideale parcours gevonden te hebben. De fietsen achter op de auto naar de Maas. Vervolgens over de Nederlandse dijk verder den vreemde in en over de Belgische dijk, retour à la voiture. Onderweg enkele cafeetjes cq stamineekes bezichtigen, dat zou goed zijn voor onze culturele vorming. Nietwaar? Preekte ik. Welwaar!
Juist, als Lulu maar zo vriendelijk wilde zijn en er rekening mee hield dat zij de auto terug naar huis moest rijden. Het ging een hele tijd heel goed. Toen was de achterband van Lulu acuut plat. Of de duvel ermee speelde maar het was bij de uitspanning ”De Plotselinge Dood”. Hoe kunnen mensen het verzinnen? vraag ik me dan vervolgens af. Wie wil hier iets consumeren met het vooruitzicht dat het weleens je laatste slokje is? piekerde ik.
”Kun jij wel een band repareren?” wilde Lulu weten.
”Je denkt toch niet dat ik jou hier achter zal laten”, repliekte ik. Ondertussen brak ik mijn hersens over de vraag wanneer ik voor het laatst een band geplakt had. Dat was beslist langer dan 40 jaren geleden. Maar zou dat veel veranderd zijn? Ik hoopte van niet. Gelukkig produceerde ”De Plotselinge Dood” ook een koele schaduw en verborg me enigszins voor de nieuwsgierige blikken van het terras. Ik voelde ze in mijn rug branden en werd enigszins onzeker. Ik had geen goed voorgevoel en dat gevoel was correct. Toen ik na enig gewrik en gefriemel eindelijk het wiel uitgebouwd had, zaten mijn handen royaal onder de zwarte smeer. Ik moest met mijn handen niet in mijn gezicht vegen, was een goede raad die ik kreeg.
De band lichten was geen probleem. Ik vond echter geen lek en toch liep die band steeds leeg. Zou dit misschien een onverklaarbaar natuurverschijnsel zijn of een volgend slecht omen? Die Plotselinge Dood hield waarschijnlijk niet bijster veel van mensen was een gedachte die me steeds verder benauwde.
”Je moet die band onder water houden”, wist Lulu.
Ik had helaas niet aan een teiltje water gedacht toen we thuis vertrokken, zodoende dus ...
Ik stelde voor om op het terras iets tegen de zenuwen te nemen, dan kon ik mijn vuile handen laten zien en zo een teiltje water organiseren.
We dronken twee of drie trappistjes, dat helpt aanmerkelijk bij een zielig of humeurig humeur. Vergezeld door de brave bouvier van de waard begaf ik me weer aan de slag. Ik liet de bouvier zien hoe je een gaatje in een band opspoort. Hij begreep mij verkeerd en slobberde ijverig van het water. Ik prees hem uitbundig en hij slobberde nog harder.
Verdomme, toen was wel de solutie verdroogd. Te oud volgens een kenner. Je moet om het half jaar een nieuw tubetje kopen eigenwijsde hij. De waard vertelde mij heel bereidwillig de te bewandelen wegen naar een fietsenboutique aan de overkant van de Maas. Na een vaartje met het voetveer was dat hooguit een stief kwartiertje gaans. ”Retour of enkel?” viste ik. Enkel wist hij beslist.
Een uurtje later was ik terug. Op het terras van ”De Plotselinge Dood” heerste enige verslagenheid onder de parasols. De waard duwde met een bankbiljet in de hand en prevelde iets onbegrijpelijks over een speelse, jonge hond. Toen zag ik het, de bouvier was met mijn band gaan spelen. Die kon niet meer gerepareerd worden. Ook niet met verse solutie.
Samen zijn Bas en ik met het speelgoed, het voetveer en daarna gewoon te voet weer naar de fietsenwinkel gegaan. Of het plaksel niet goed was, wilde de Madam van de fietsenwinkel weten toen ik een nieuwe band bestelde en de oude als voorbeeld op de toonbank legde.
Ik wees op mijn gekrulde, zwarte, vriend. Hij klikkerde met zijn witte bijtertjes, hij kon zo optreden voor de reclame van een tanden latexje.
”Madam, hij hield mijn band voor een koud kokende kookworst”, legde ik haar uit. ”Dat komt door het gezichtsbedrog als je iets in water ziet. U kent het fenomeen van de gebroken stok, de zogenaamde brekingsindex?”
Zij knikte volkomen begrijpend, had je vaker met Ollandse bouviers. un Mechelse erder zou dit nooit doen, die wist zijne plek, die lag in zijnen stal. Ik zag het. Mijn Bas had daar geen boodschap aan. Hij was zich bewust van zijn kwaliteiten, zodadelijk kwam er een nieuwe overMaase worst.
(C) |
 |
juli 2001 |
|