De mijnramp in 1947 op de Staatsmijn Hendrik (1).

tek. Jef Caenen (met toestemming van zijn weduwe)
|
De gevaarlijke mijnarbeid (1)
Onder de titel "Gevaor" bezong de groep Carboon in 1979 treffend het gevaar dat elke ondergrondse mijnwerker dag in dag uit bedreigde tijdens
zijn 'sjiech'. Dit gebeurde in een tijd, dat alle Nederlandse steenkolenmijnen al gesloten waren en er een veel grotere openheid was
ontstaan over alle positieve en negatieve kanten van de mijnindustrie .
Maar ook in de glorietijd van de mijnindustrie was iedereen, die te maken had met de mijnen, doordrongen van de gevaren die de mijnarbeid met zich
meebracht. De ongelukken die ondergronds gebeurden waren de meest voor zich sprekende schaduwkanten van de mijnindustrie. Naast echte rampen,
die zich gelukkig maar een enkele keer voordeden, vonden er gedurende de gehele tijd dat de mijnen in Zuid-Limburg in productie waren, continue wel
enkele ongevallen met dodelijke afloop per maand plaats. Zo verongelukte ook de grootvader van de schrijver van dit artikel, Sjeng Roex uit
Schinveld, op 30-jarige leeftijd op 20 oktober 1931 op de Hendrik. Een slachtoffer in een lange rij van verongelukten.
De Staatsmijn Hendrik te Brunssum/Rumpen.
De Staatsmijn Hendrik werd in 1910 als steenkoolconcessie gesticht te Brunssum. In 1913 werd begonnen met de eigenlijke aanleg van de mijn en in
1918 startte de kolenproductie. Vanaf het eerste productiejaar gingen heel wat Schinveldenaren de dagelijkse gang naar de slechts op enkele
kilometers afstand gelegen Hendrik maken. Want immers, hoewel gevaarlijk, bracht de mijnarbeid ook welvaart in het toentertijd nog sterk
agrarische Schinveld.
"Oos koeel" werd de mijn dan ook liefkozend in Schinveld genoemd, vanwege de sterke economische afhankelijkheid die zich in het dorp al
snel ontwikkelde met betrekking tot de Hendrik. Behalve vele ondergronders waren er ook de nodige beambten uit Schinveld op de Hendrik
werkzaam.
In 1939, zo'n twintig jaar nadat de Hendrik open was gegaan, waren er in Schinveld 496 mijnwerkers op een totale bevolking van 3193 personen.
Oftewel - ruim 15% van de totale bevolking!
En wie dat nog niet veel lijkt. Als men daarbij bedenkt dat de beroepsbevolking slechts een deel van de 3193 personen besloeg en dat vele werkzame
personen op indirecte wijze economisch afhankelijk waren van de Hendrik of de andere mijnen, begrijpt men ook dat de invloed van de mijnen op
Schinveld in heel korte tijd enorm groot was geworden.
In de volksmond in Zuid-Limburg sprak men in het geval van de Hendrik ook over 'De Boerderij', waarschijnlijk vanwege de typische
voorgevel van de Hendrik. In Schinveld hield men het echter op "Oos koeel".
Een eerste groot ongeluk in 1928.
In de Hendrik werd, in tegenstelling tot veel van de andere mijnen, gasrijkere 'vetkool' gewonnen. De kans op mijngasontploffingen was
er dus groter. Bovendien was de mijn in haar 44 productiejaren (1918-1962) niet alleen berucht om de grote hoeveelheid stof en gas, maar
ook om het vele water, een harde kool en een zachte vloer. Ook kwamen er meer breuklijnen voor. ln de Hendrik zijn de meeste grote ongelukken
gebeurd van alle Limburgse mijnen.
Een mijn dus waar het gevaar steeds op de loer lag. Dit bleek voor het eerst op grote schaal, toen op 13 juli 1928 - een vrijdag de dertiende - zich een
mijngas- en koolstofontploffing voordeed in de kolenpijler op 436 meter diepte.
Dertien kompels vonden toen de dood. Een ontstane mijngasconcentratie van minstens 5% was de oorzaak geweest, concludeerde men achteraf.
Maandag 24 maart 1947, een tweede ramp dag.
De 'sjiech' begon die dag als gewoonlijk. Maar in de weken voorafgaande aan deze dag waren er een aantal zaken gebeurd, die nu een
rampzalig vervolg kregen.
Om 11.00 uur brak brand uit. Deze ontstond in de afvoergalerij van Afdeling G, in laag XIII, ten oosten van de 4e Zuid-Oostelijke steen gang, op de
636 meter verdieping bij de bandaandrijfmachine, waar de brand van de rubberen transportband vermoedelijk ten gevolge van slippen oversloeg op de
bekleding van deze galerij. De aandrijfmachine lag op enkele meters afstand van de laadplaats in de 4e Zuid-Oostelijke steengang.
Het volgende relaas is grotendeels ontleend aan het rapport van 'Het Staatstoezicht op de Mijnen' over de ramp en is sterk technisch-verklarend van
aard. Hoewel het Staatstoezicht, in tegenstelling tot de mijndirectie, zich onafhankelijk kon opstellen, moet hierbij toch worden bedacht dat een
dergelijk rapport mogelijk beïnvloed is door de persoonlijke verklaringen van leidinggevend en uitvoerend personeel, dat zich wellicht wilde indekken
tegen strafmaatregelen van de mijndirectie
De laatste maand was de lengte van de pijler praktisch tot 0 meter genaderd en was aan het einde van de 700 meter lange afvoerbandgalerij een
steile gang met stortkast in de laag gemaakt. Daarna was van de kop van deze steile gang een verbinding tot stand gebracht met de grondgalerij in
laag XIII vanuit de bocht ten Westen van de 1e Zuid-Oostelijke steengang op de 537-meter verdieping. Gelet op de omstandigheden dat de
depressie in deze grondgalerij op de 537-meter verdieping groter is in de 1e Zuid-Oostelijke steengang dan in de 4e Zuid-Oostelijke steengang,
doordat de 1e Zuid-Oostelijke steengang een kortere verbinding heeft met de uittrekkende schacht, was beoogd met deze verbinding te bereiken
dat de luchtstroming door de grondgalerij van laag XIII zou worden geleid van de 4e Zuid-Oostelijke steengang naar de 1e ZuidOostelijke steengang
op de 537 meter verdieping. Vandaar dat er een verbinding was naar de 4e Zuid-Oostelijke steengang en een naar de 1e Zuid-Oostelijke steengang.
Teneinde bij deze afgelopen pijler te voorkomen dat onnodig veel lucht zou wegtrekken, was reeds op 3 maart 1947 de luchthoeveelheid verminderd
tot ongeveer 380 kubieke meter/h en werden in de nieuwe verbinding naar de 1 e Zuid-Oostelijke steengang een paar smoordeuren geplaatst en was
in de betonblokkendam, die de bocht naar laag XIII had afgesloten, slechts een ruim doorkruipgat gemaakt. Het verkrijgen van deze verbinding met
de 1e ZuidOostelijke steengang vermeerderde niettemin de luchthoeveelheid tot ongeveer 440 kubiekemeter per minuut. De smoordeuren in de
grondgalerij van laag XIII ten Oosten van de 4e Zuid-Oostelijke en de schotten in de grondgalerij ten Westen van de 1e Zuid-Oostelijke
steengang op de 537 meter verdieping hadden derhalve tot gevolg, dat de lucht door de oude pijler van laag XIII voor een deel naar de 4e
Zuid-Oostelijke steengang en voor een deel naar de 1e Zuid-Oostelijke steengang trok. De ventilatiedienst zou in de loop van de week na 22
maart 1947 verdere regelingen treffen, zodat alle lucht van de 4e Zuid-Oostelijke steengang naar de 1e Zuid-Oostelijke steengang zou trekken
voor het latere roven en voor de ontginning van een stukje kool van laag XIII boven deze grondgalerij op de 537 meter vedieping.
Aldus was de toestand op 24 maart 1947 op de ochtenddienst. Met het opscheppen van morskolen en het roven van materiaal waren in deze afdeling
onder leiding van de opzichter Keulers negen man belast. Eerst tegen 11.00 uur werd ontdekt, dat de band en de bekleding van de bandgalerij in brand
stonden. In de verwarring die daarop ontstond, gelukte het niet om gebruik te maken van de aanwezige blusapparaten. Er werd hulp ingeroepen van
een ploeg mijnwerkers, die onder leiding van een meesteropzichter op cira 300 meter afstand bezig waren met het herstellen van de railbaan. De
ploeg kwam onmiddellijk helpen. De brandblusapparaten werden leeggespoten op de brandende aandrijfrol van de bandmachine. De brand had zich
echter voortgeplant en was overgeslagen op de houten bekleding van de ijzeren betimmeringen in de galerij. Tengevolge van de snelle luchtstroom
nam de brand voortdurend in hevigheid toe. Verdere bluspogingen faalden. Tijdens het blussen vonden er ook instortingen plaats. Overal hingen
giftige rookgassen. Opzichter Keulers en 12 mijnwerkers, die zich door brand en gas omringd zagen, verloren op deze manier het leven.
Er werd overgegaan tot afdamming van het onveilige gedeelte van de mijn. Gepoogd werd om de luchtstroom over de brandhaard te verminderen. Toen
dat enigszins lukte, gingen de reddingsmanschappen naar binnen. Met heel veel moeite konden zij bij een deel van de overledenen komen. Pas nadat
water werd toegelaten door de oude werken, en daardoor veel'warmte werd afgevoerd, kon men de rest van de slachtoffers bereiken.
De rubberen transportbanden op rollen, de opvolger van de vroegere 'schudgoot', waren berucht om het feit dat ze door wrijving in brand konden
raken.
Behalve dat er dus - door omstandigheden - een zeer sterke luchtstroming in de pijler aanwezig was, die het vuur razendsnel verspreidde, werd de
zaak nog verergerd doordat in de jaren veertig nog heel veel houten stutten en houten bekledingen ondergronds aanwezig waren. In de jaren veertig
was het gebruik van 'metalen ondersteuning' juist pas in volle toepassing aan het komen. Het vuur vond dus ook meer dan voldoende voedsel.
Men had nog geprobeerd te vluchten, onder het roepen van "Weg uit deze pijler", maar men kreeg hiervoor de tijd niet meer. De reddingswerkers
vonden hun lichamen verkoold, gestikt of begraven onder het puin terug. De laatste slachtoffers werden pas weken later geborgen. Familieleden,
vrienden en bekenden hadden tevergeefs aan de poort van de mijn op beter nieuws gewacht.
|
|
NB.
Sommige delen zijn met toestemming overgenomen uit het "Jaarboek 1997 Onderbanken" van de Heemkundevereniging de Veerssjprunk.
|