Koelpiet 1




tek. Jef Caenen (met toestemming van zijn weduwe)

Op 17 december 2005 was het 40 jaren geleden dat Joop den Uyl in de Stadsschouwburg in Heerlen de sluiting van alle mijnen in Limburg aankondigde.
Jemig, waar blijft de tijd, waar zijn de resten van de mijnen gebleven?
Het begin van mijn werkzaam leven startte op de eerste werkdag van 1958 op de Staatsmijn Hendrik. Er was weinig begrip in onze familie voor mijn keus. Mijn ouders waren vroeg overleden, al mijn ooms hadden het daglicht lief en waren nooit ondergronds geweest. Ik vond het wel spannend om als eerste van de familie aan het kolenfront, zoals dat toen heette, te gaan werken.
Het kwam ook door mijn vrienden die allemaal op 14-jarige leeftijd naar de koel (mijn) gegaan waren. Hun leven was daarna helemaal veranderd. Ze werden op de OVS (de leerschool van Staatsmijnen) vroeg man. Vanaf de eerte dag verdienden ze daar geld, kregen daardoor meer zakgeld, gingen roken en pils drinken. Er werd veel gesport, ze leerden zwemmen en gingen in de zomer op de hei kamperen. Zij hadden een brommer en status! Zeg zelf, welke jongen wil niet zo'n man zijn?
Ik was een simpele jongen gebleven, had na de lagere school doorgeleerd. Mijn familie vond dat (achteraf gezien) gelukkig nodig, maar de konsekwentie daarvan was dat ik weinig zakgeld had, een oude fiets, niet zwemmen kon en weinig status. Dat zou op die maandag gaan veranderen. Met de belofte dat ik opzichter kon worden had ik me als kompel mogen aanmelden.
Het begon al meteen goed. "Ik kwam voor werk...", zei ik tegen de man achter het loket.
"Moment...", zei die en bukte zich.
Ergens van onder een plank haalde hij een geldkistje te voorschijn en gaf me alvast vijftig gulden voorschot. Daarna vroeg hij pas mijn naam, stuurde me naar de verbandkamer om medisch gekeurd te worden en zei dat ik daarna bij hem terug moest komen. In die tijd was er weinig bureaucratie, de mijndokter (de Beer) klopte eens met een gekromde vinger op mijn nog kale ribben, luisterde met zijn gehoorapparaat aan mijn nog gezonde rug en liet een longfoto maken.
Ik kon terug naar de administratie en kreeg daar nummer HK 667.
Vervolgens moest ik op iemand wachten die me een haak in het badlokaal zou wijzen.
Eerst kwamen we in een grote zaal, die de loonhal heette zei de man. Hier zetelden alle ondergrondse afdelingen, weer achter een loket. Als ik straks bij een afdeling was ingedeeld moest ik me hier iedere dag bij de dienstdoende opzichter voor aanvang van de sjiecht melden.
Door een draaideur in de loonhal betraden we het zogenaamde ondergrondse badlokaal. Je had meerdere badlokalen op de mijn. Ondergronders hadden een ander dan bovengronders, omdat ze elkaars ruggen moesten wassen - het zogenaamde poekelen. De beambten hadden aparte baden met gescheiden ruimtes voor douches en kleding, daar liep een badknecht rond om de ruggen van die heren met gepast respect te poekelen. Overigens heb ik nooit een beambte met een zwarte rug gezien. Dan had je nog de directiebaden, daar stonden zelfs badkuipen.
Dat was wel effu slikku zeg, in dat badlokaal. Het was er benauwend warm, verschrikkelijk hoog en het plafond hing vol met zwarte pungels (werkkleding). Ik zag een paar honderd mannen die bijna allemaal, van kruin tot teen, in een bepaalde mate zwart waren. Ze hadden nog een ding gemeen, ze waren allemaal naakt en stonden, zaten of lagen overal. Zwart en bloot of bloot en zwart?
Ik was verbluft, dit was eigenlijk onvoorstelbaar als je het nooit gezien had.
Honderden spuitende douchesproeiers aan een stalen leidingnet in de lucht.
Honderden zwarte mannen met witte vlekken, die ogen en tanden bleken te zijn, die op houten banken of de vloer zaten en stiekem een peuk rookten.
Honderden half zwarte mannen die onder de douches stonden, bezig met zich van boven naar onderen blank te boenen.
Honderden liters modderwater dat traag over de vloer, richting afvoerputjes stroomde.
Honderden, nog niet zwarte mannen die hun zwarte pungel aantrokken om naar beneden te gaan.
Het beginnend gevoel van een verkeerde keus bekroop me ... aan het zo bejubelde zwarte goud zat weinig glans, leek me.



(C)

FvdB

nov. 2005



terug naar koelpiet
terug naar koelpiet