Koelpiet 2

tek. Jef Caenen (met toestemming van zijn weduwe)
|
Met die 50 gulden in mijn beurs fietste ik naar huis en maakte de voorlopige balans van mijn leven. Aan de debiteuren kant stond dat ik nog nooit zo
rijk geweest was. Godju, ik kon nu wel wat deurtjes intrappen. Ik kon bij Plaisier op de Platz (dorpscafé) een paar rondjes geven.
Men zou mij ongetwijfeld met veel respect behandelen. Een kompel, een van hen, geen pennenlikkende, sjofele student meer ... .
Aan de crediteuren kant stonden de dingen die ik net gezien had en daar had ik geen goed gevoel over. Niks, geen heroïsche mannen, de
strijders aan het kolenfront, zoals ik op het Polygoonjournaal in de bioscoop zo vaak had gezien. Niks geen stralende mannen, de fiere opbouwers van
ons land na de oorlog, de kolenhak nonchalant over de schouder.
Godju, ik had geteisterde mannnen gezien.
Met door gemeen steen- kolenstof ontstoken ogen.
Met door ongevallen misvormde ledematen.
Met door het zware werk versleten, gekromde ruggen.
Met akelige, door zwart kolenstof gekleurde, lidtekens.
Ik had dingen gezien die ik liever nooit geweten had.
Godju, daar hadden mijn vrienden nooit over verteld.
Of had ik niet goed geluisterd? Had ik alleen maar willen horen hoeveel hun wekelijkse voorbetaling en hoeveel hun maandelijkse afrekening bedroeg?
In mijn herinnering zag ik het beeld van de vader van mijn vriend Ui (August). Hij had stoflongen, piepte als een versleten blaasbalg, sliep
beneden omdat hij de trap niet meer op kon. Kwam de deur niet meer uit omdat hij anders nooit meer zou thuiskomen. Als hij hoestte was zijn
zakdoek zwart.
Logisch, vroeger deden ze niks aan stofbestrijding. Tegenwoordig hadden de mijnwerkers stofmaskers, wist ik. Tegenwoordig deed men wel aan
stofbestrijding, had ik gehoord. Tegenwoordig was vroeger niet meer. Tegenwoordig moest je niet doemdenken.
Als ik vroeger, op de eerste dag dat ik naar school ging, al die boeken op een hoop gezien zou hebben die ik zou moeten bestuderen was me ook de moed in de schoenen gezonken. Als ik op de eerste schooldag geweten zou hebben hoe vaak ik op een pak slaag getracteerd zou worden was ik de tweede dag niet meer teruggegaan.
Ik had (heb) de gave om me snel gerust te stellen. Je kunt je nog altijd druk maken als je werkelijk in de stront zit.
Bij mijn familie ondervond ik weinig enthousiastme voor mijn levensroeping. Mijn oude opa pinkte zelfs een traantje weg terwijl hij een hand op mijn schouder legde. Hij had altijd gehoopt dat ik onderwijzer zou worden of bediende op een bank, zei hij, maar begreep dat het niet bij mijn karakter paste. Hij zou nog meer voor me bidden, beloofde hij.
Ik nam een sigaartje van hem aan en verslikte me vreselijk in de rook. Opa kon niet weten, waarom ik eigenlijk zo onnozel huilde.
Dat weekend reed ik met de bus, ik kon het me nu permiteren mijn oude fiets te laten staan. Als nieuwe rijke kocht een kaartje balcon in de Heerlense
Royal voor de hoofdfilm. Zat daar bijna alleen naar " Die Blumen von Hawaï " te kijken.
Verdomme, de knappe grietjes zaten beneden, derde rang. Ik besefte voor de eerste keer dat geld geen garantie voor succes was, wel was het
makkelijk als je niet in de vrieskou met de fiets naar huis moest.
(C) |
 |
nov. 2005 |
|