De mijnramp van 1928 op de Staatsmijn Hendrik (2).

tek. Jef Caenen (met toestemming van zijn weduwe)
|
De gevaarlijke mijnarbeid (4).
Na de ramp werd door de Staatsmijnen zelf een onderzoekscommissie benoemd en daarmee was Staatsmijnen partijdig in deze eigen zaak.
Eigenlijk had er een neutrale onderzoekscommissie van het Staatstoezicht op de Mijnen moeten ingesteld worden, maar ach, "de
Koeël" deed altijd al wat ze wilde. Alleen de sociaal democratische mijnwerkersbond had kritiek op de gang van zaken.
De conclusie van de onderzoekscommissie was dat de ramp te wijten was aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden en toevalligheden,
niemand was dus persoonlijk schuldig.
(Toen mijn vader in 1952 samen met een collega verongelukten, ze stikten ook in mijngas, kregen we hetzelfde verhaal verteld).
Er waren echter wel fouten gemaakt, erkende de commissie. De afdelingsopzichter had officieel moeten melden dat er mijngas was gemeten. Ook
hadden de dubbele messing gaaskappen van de benzinelampen (instrument waarmee het mijngas gemeten werd) van staal moeten zijn.
Verder was op de plaats van de ramp de lucht verkeerd en te langzaam afgevoerd, deze ging namelijk via een andere afdeling (Betje)
waardoor hier ook slachtoffers vielen.
In een Duits laboratorium waren proeven gedaan waaruit geconcludeerd werd dat de lamp van Skovronski minstens vier minuten in een luchtstroom
van meer dan vier meter per seconde en een gasconcentratie van negen procent was geweest. Hierdoor was het gaas gesmolten en had de vlam van
de lamp de kans gekregen het ontplofbare mengsel van lucht en gas te ontsteken. Het mijngas zou kunnen zijn vrijgekomen door de instorting in de
pijler waaronder voorman Campers bedolven was.
De oorzaak van de ontploffing was dus niet het schieten van Skovronski zoals aanvankelijk werd gedacht. Integendeel zijn munitie was niet
gebruikt, de slaghoedjes had hij nog in zijn zak, hij had helemaal niet geschoten.
Nu, achteraf zou je kunnen zeggen dat de ramp te voorkomen was geweest. Indien de lucht voldoende snel ververst was geworden zou er nooit een
gevaarlijke concentratie hebben kunnen ontstaan. Maar ja, dat had geld gekost ... en wie durfde de Staatsmijnen toen voor de rechter te dagen?
Een ondergrondse ontploffing of brand was de nachtmerrie van iedere mijnwerker. Dat er altijd gevaar loerde wisten ze en accepteerden ze.
Iedere maand vielen er gemiddeld zo'n twee dode kompels te betreuren. Het aantal ongelukken per jaar liep in de tienduizenden. Na iedere sjiecht
was de verbandkamer gevuld met kompels die iets opgelopen hadden. Van blauwe nagels tot gebroken ledematen.
Echter een alles vernietigende ondergrondse ontplofing van mijngas was in de nauwe ruimtes altijd catastrofaal. Een kettingreactie van
gebeurtenissen was altijd het gevolg. Vaak was dat brand, een ontploffing van kolenstof met grote energetische waarde dat door de schokgolf werd
opgeblazen en door het vuur ontstoken. Grote, zware instortingen waren hiervan het gevolg, waardoor weer nieuw, zeer giftig mijngas vrijkwam
enz. Kortom een keten van rampzalige gebeurtenissen. Stel je daarbij voor dat de mijnwerker meestal halfnaakt zijn werk deed. De kans om te
overleven is dan gelijk nul.
Men noemde het niet voor niks "het Kolenfront" en in iedere mijngemeente vind je nu nog een gedenkteken dat de gevallen stijders aan
dit zwarte, voor de bovenwereld onzichtbare, front herdenkt.
NB
Om dit artikel te schrijven heb ik het boek "Kolen en kompels: de geschiedenis van de Nederlandse mijnwerkers" van L. Kreukels geraadpleegd.
|