Silicose (1).





Sjtub ! (1)
Iedere kompel kreeg uiteindelijk stjub (stoflongen = silicose). Het kon voor de een wat langer duren dan voor de ander, afhankelijk van de werkplek en de funktie. Niet in de kool- of steenafdelingen werkende kompels kwamen over het algemeen minder met het gevaarlijke stof in aanraking. Mijnmeters bijvoorbeeld bijna helemaal niet. Bankwerkers en electriciëns in mindere mate dan de frontwerkers aan kool en steen.
Na tien jaren in de pijler of op een steenpost waren meestal je longen aangetast. Dat voelden de betrokkenen veel beter dan de mijnartsen, in opdracht van de mijndirecties, wilden toegeven. Dit is wel het grootste schandaal van de mijngeschiedenis. Eigenlijk een grote criminaliteit van de overheid, puur gebaseerd op het asociale aspect van kostenbeheersing ten koste van gezondheid.
Na 1950 werd de stofbestrijding een serieus aandachtspunt. Het stofmasker werd ingevoerd, hoewel een draagplicht in mijn tijd, omstreeks 1960, niet aan de orde was.
In de kolenpijlers werd geïnjecteerd. Dit hield in dat tijdens de dienstwisselingen diepe gaten in de kolenlaag geboord werden waarin water onder hoge druk werd ingepompt. De kool werd hierdoor minder stoffig tijdens het hammeren (loshameren) met de afbouwhamer.
Op de afbouw- en boorhamers kwam een watersproeier, hierdoor werd tijdens het hammeren een waternevel op de kolenwand gesproeid.
Op werkpunten waar veel stof onstond werden standaard watersproeiers geïnstalleerd.
Inderdaad, het hielp allemaal maar had ook zijn nadelen.
Doordat de beloning gebaseerd was op een accoordsysteem was de inspanning van de kompel altijd maximaal. Lapsjwansen ging immers ten koste van je eigen loon.
De weerstand van het filter in het stofmasker bemoeilijkte de ademhaling. Je kreeg het benauwd en kon minder presteren, een funeste uitwerking bij een accoordsysteem. Het rubber van het masker irriteerde door het zweet en stof je gezicht. Menigeen kreeg exceem, een rode ring - de aftekening van het masker - in zijn gezicht. Standaard hing na een tijdje, het stofmasker dus op de accu van de petlamp - op de kont van de zwoegende kompel.
Een oude opzichter maakte me ooit, in de hitte van mijn strijd met de zwarte Frens (uitdrukking voor kolen loshammeren), attent op dat feit. "Jong, zet dat ding op dien gezicht", zei hij zelf snakkend naar lucht.
Godju, kon ik die man nog maar ooit bedanken, die zette me definitief op het idee de koeel te verlaten. Die man wist als getroffene waar hij het over had. Soms moet je geluk in het ongeluk hebben. Gelukkig had ik dat toen.
Een ander nadeel van al dat gesproei met water ontstond in lage pijlers. Je lag dan letterlijk in het sjlamwater (kolenmodder). Omdat je liggend moest werken liep het aan je nek binnen en aan je broekspijpen weer uit. Het bleef staan in de holtes van je mijnwerkersbroek en je kon door het achtergebleven gruis niet meer ziten, liggen of kruipen. De waterkanonnen, zoals ze genoemd werden, waren dus meestal buiten bedrijf gesteld. Eén klap met de hamer was ruim voldoende.
Een ander schandaal was dat bijna altijd op de toe- en afvoerposten van de pijler geschoten werd tijdens het boeteren. Boeteren was een kwartiertje pauze halverwege de sjiecht om een boterham te eten. De pijler stond dan stil. Omdat na het schieten op de posten in korte tijd een hele boel stenen vrijkwam die niet tijdens het normale bedrijf van de pijler verwerkt konden worden, gebeurde het schieten dus tijdens het boeteren.
De stofontwikkeling was dan gigantisch. Minutenlang kon je geen meter ver in het licht van je koplamp kijken. De stank van de explosiegassen was weerzinwekkend. Je kreeg hoestbuien van die bijtende damp en tussen een hap in je boterham en een slok aan je drinkblik moest het masker op je neus. Van onmacht en woede over zulke onbeschoftheid gooide ik vaak mijn boterhammen weg en kreeg natuurlijk, een uur of wat later, hongerklop.
”Du, sjlappe trekhoenjd”, zeiden mijn kompels dan als ze mijn stuk onder handen namen. Inmiddels zijn zij, sterke kerels, allemaal overleden en snuffelt de sjlappe trekhoenjd nog rond. Sterk zijn is vaak een nadeel, weet ik.
Stjub (stoflongen) in de mond van de kompel, was medisch uitgedrukt een ongeneeslijke longziekte die silicose heette. Het ontstaat door het langdurig inademen van amorfe (ongevormd) silicium. Dit is een kwartshoudende steenstof in de mijnindustrie, maar evengoed kan silicose optreden door het langdurig inademen van kolenstof of andere fijne verbindingen. Het gevolg is een fibrose, (bindweefselvorming) in de longen. Door dit lidtekenweefsel neemt de elasticiteit van de longen, de longfunctie dus, sterk af. Uiteindelijk sterf je een verschrikkelijke verstikkingsdood. Punt aan de lat.
Door het feit dat vanwege het explosiegevaar veel apparaten aangedreven werden door perslucht was stofontwikkeling hieraan inherent.
Over kolenstof werd decennia lang de mythe verteld dat het niet gevaarlijk was. Integendeel het was zelfs gezond, immers in Norit, een middel dat stoppend werkte als je aan de schijt was, zou kolenstof verwerkt zijn - werd ons wijsgemaakt. Waarschijnlijk hadden mijnartsen hun ambtseed op een kophout (dakondersteuning, maar ook scheldwoord) afgelegd. Mijnartsen werden niet voor niks "paardenslagers" genoemd.
Ik herinner me nog dat ooit in Schinveld, mijn geboortedorp, een carnavalswagen in de optocht reed met daarop een aantal mijnwerkers die hun hoofd onder hun arm droegen. "Ich mooch viere ... !" (ik mag ziek zijn) was hun motto.
Viere ... , feesten letterlijk vertaald was de benaming voor ziek zijn. Een kompel die ernstig ziek was, verkoos dat ongemak boven zijn aanwezigheid in de koeel. De veel geprezen koeel was eigenlijk de hel, ondergronds op de aarde.
Velen waren er mee besmet, waarmee ... ik vraag het mij na 50 jaren nog altijd af. Hoe krijg je een mens zo ver dat hij uit vrije wil voor een ellendige ondergang kiest ... ?




(C)

FvdB

nov. 2005



terug naar koelpiet
terug naar koelpiet