Silicose (2).




Sjtub ! (2)

Silicose werd en is door de directies van de Nederlandse Mijnen nooit als ziekte erkend. Dat zou teveel geld kosten. Silicose was echter geen onbekend fenomeen onder de mijnwerkers. Immers in het aangrende buitenland, waar al veel langer mijnen bestonden, was het wel als officiele beroepsziekte erkend. In 1916 verscheen er zelfs al een artikel over in de "Christelijke Mijnwerker".
Nu achteraf kun je natuurlijk moeilijk bewijzen dat het om het feit, omdat het geen artikel in een Rooms Katholiek periodiek was, volkomen genegeerd werd door de katholieke geestelijkheid, die in de dagelijkse praktijk hand- en spandiensten leverde aan de mijndirecties. Deze hadden weinig behoeften aan allerlei publicaties en informatie over ongezonde mijntoestanden. Op haar beurt gebruikte de katholieke geestelijkheid haar invloed om haar gedachtengoed (luister en praal) zo veel als mogelijk te handhaven en indien mogelijk nog uit te breiden. Dat de mijndirecties hiertoe graag een deel van de financiering voor hun rekening namen leverde een aantrekkelijke win/win situatie op voor de goddeloze mijnarbeid en het geestelijke woord.
De kompel die dat allemaal wel zag, voelde zich door de ene partij arm en door de andere dom gehouden. Maar er was weinig alternatief. Je kon emigreren ... maar de honkvaste Limburger kankerde liever een potje en sloeg de dag erna weer zuchtend en hoestend zijn stuk eruit.
Bijna iedereen deed wat tegen de stjub. Deels was het aangeprate onzin. De een die sjiekte (pruimde), sjiek (pruimtabak) was goed tegen de sjtub en verminderde het dorstgevoel. De ander dronk veel melk. Melk zou het stof binden. Door nog anderen werd een in koffie gedrenkte halsdoek als ademhalingsbescherming gebruikt. Effectief was het allemaal in iedere geval niet.
Zelfs toen op het einde van de jaren dertig silicose als beroepsziekte in de Ongevallenwet werd opgenomen, weigerden de mijndirecties de aanvaarding van de consequenties. Immers in een röntgenologisch onderzoek dat in 1934 onder vijfhonderd mijnwerkers was uitgevoerd, concludeerde hoofdmijnarts Vossenaar dat zij "allen in eenen volmaakten gezondheid verkeerden".
Liegen en bedriegen, gebaseerd op wetenschap of geloof waren niet vreemd in die tijd. De kompel schikte zich in zijn lot, lijden was immers een beloonde deugd. Alleen door een - zogenaamd prachtig lijden - kon je de hemel verdienen, was het thema van de zondagse preek. Bij mijn weten is geen enkele pastoor of kapelaan door silicose in zijn eigen etter gestikt. Pas nu eind 2005 heeft bisschop Wiertz, wiens vader mijnwerker was, voorzichtig excuses aangeboden. Beter laat dan nooit, zullen we maar zeggen.
In Treebeek werd het Longinstituut van de Staatsmijnen opgericht. Mijnwerkers werden na een aantal ondergrondse dienstjaren hier periodiek gekeurd. De keuring bestond uit een röntgenfoto van de thorax en een verplichte fietstest. Deze fietstest was berucht onder de kompels. Met een masker met een gasmengsel op de neus en een naald in een ader van de arm moest er twintig minuten lang tegen een steeds hoger wordende belasting worden opgefietst. Het Longinstituut werd passend het slachthuis genoemd, mijnartsen werden door de kompel als paardenslagers betiteld.
Röntgenfoto's of de resultaten van het onderzoek kreeg een kompel nooit te zien. De uitslag van een keuring stond veelal al van te voren vast. Zelfs als een kompel bij wijze van spreken een hartinfarct tijdens de beproeving opliep was hij: "kerngezond en had slechts last van chronische bronchitis." In de eed van Hippocrates was een uitzondering gemaakt voor kompels, want nooit is een mijnarts vervolgd door een medisch tuchtcollege. Mijnwerkers waren blijkbaar om te kreperen, anders is het niet uit te leggen.
Omstreeks 1948/49 woonden we in Schinveld aan de Bouwbergstraat. Onze overbuurman was afgekeurd voor mijnarbeid wegens die zogenaamde bronchitis. Omdat hij vroeger ook korte tijd op een Duitse mijn gewerkt had en daar misschien voor een pensioen in aanmerking hoopte te komen, liet hij zich ook daar keuren. Geen probleem, hij had honderd procent stoflongen en kreeg de foto's mee naar huis. U snapt het zeker al. De foto's werden niet erkend door de Nederlandse Staatsmijnen en als hij inderdaad stoflongen had, dan had hij die in Duitsland opgelopen.
Soms zat hij met mooi weer, altijd hoestend en rochelend, op een bankje in de tuin. Een enkele keer ging ik naast hem zitten, want dat was erg dramatisch. Wat hij uit zijn longen hoestte maakte zijn zakdoek zwarter dan de toog van pastoor, zei hij altijd. Ik begreep dat toen niet.
Zelfs na de sluiting van alle mijnen kwam er geen einde aan het lijden van de kompels met stjub. De erkenning van silicose bleef nog lang uit. De politiek had begrepen en besloten dat het probleem op termijn uit zichzelf uitstierf. Dat hoefde niks te kosten, dat kon helemaal gratis ! Wat was nog de toegevoegde waarde van een kompel met silicose? Zeg zelf es ... minder dan - ene sjlappe trekhoenjd!
Het grootste schandaal van de twintigste eeuw wat betreft Zuid-Limburg was dat duizenden, neen tienduizende kompels, een uitkering voor hun opgelopen beroepsziekte ontstolen werd. Over normen en waarden gesproken, hier in het Zuiden weet men heel goed over welke waard je dan praat. Misschien zijn daarom wel, in mijn persoonlijke complottheorie, zo vlug alle herinneringen aan het mijnverleden weggeschoffeld, in de Maas gekiept of definitief doodverklaard.
Toen uiteindelijk na een hele hoop politiek gezwam en gedoe, alle respect overigens voor Jan de Wit van de S.P., eind jaren 90 een financiële erkenning losgesmeekt kon worden was dat voor ongeveer een tweeduizend oud kompels een pleister op het lijden.
Een tijd daarvoor had de sociale staatssecretarie van sociale zaken, mevrouw Elske ter Veld een voorstel gedaan om de ereschuld aan de mijnwerkers maar af te doen met, ... een standbeeld of iets dergelijks.
Voor tienduizende kompels was het allemaal te laat, ze waren bedankt met de koelsjtamp, een schop onder het achterwerk.
Ereschuld, laat me niet bitter lachen, ik weet van politici die na nog geen week in ambt zijnde opstapten en met een jarenlange wachtgeldregeling aan de haal gingen. Nieuwe waarden en normen, sociaal of chistelijk, het is gewoon bij de beesten af.




(C)

FvdB

nov. 2005



terug naar koelpiet
terug naar koelpiet