Koale

tek. Jef Caenen (met toestemming van zijn weduwe)
|
Was het delven van kolen een hels probleem, het stoken van kolen moest ook geleerd worden. Het eiste wel enige ervaring om een kachel of haard
binnen niet al te lange tijd en zonder veel rook en stank aan te maken. Temperatuursbeheersing via het fornuis of de kachel was meestal de taak van
de huisvrouw, omdat er in de meeste woningen maar één stookplaats, het fornuis was, dat ook diende om het eten te bereiden.
Aan kolen kun je niet eenvoudig een lucifer houden om ze in de fik te krijgen. Je hebt behoorlijk wat warmte nodig om kolen te doen ontbranden.
Standaard was dat je beschikte over droge aanmaakhoutjes. Dat waren heel klein gehakte houtjes. Die werden met een prop papier en een scheut
petroleum aangestoken. Als dat eenmaal goed brandde konden er een paar grotere blokkken hout bij. Als die dan ook vlam gevat hadden konden er de
eerste kolen op.
Minimaal was je dan al een kartier tot twintig minuten onderweg, had een hoestbui en vuile handen.
In de laatste oorlogswinter van 1944 op 45 waren er Engelse en Canadese soldaten bij ons ingekwartierd. 's Nachts liepen die jongens patrouilles langs
het front, dat die winter een kilometer achter ons huis tot stilstand was gekomen. Overdag sliepen ze op de bovenverdieping, die wij ontruimd
hadden.
Als ze bij het aanbreken van de dag terugkeerden was mijn moeder op om ze met gebakken eieren en Amerikaanse koffie te ontdooien. Een enkele
keer waren de jongens al terug voordat het fornuis aangemaakt was. Ze zagen mijn moeder haspelen en namen het van haar over.
De huls van een granaat werd opengemaakt. De aanvuurlading, een zakje met lolliestokjes, werd er uitgehaald en een aantal stokjes werden tussen het
hout en de kolen gestoken. Een lontje en een lucifer deden de rest. De ringen van het fornuis rammelden wat maar de fik zat er meteen goed in.
Mijn moeder vond dat een hele vooruitgang en deed de volgende morgen de rest van de lolliestokjes tussen het hout en de kolen. De ringen van het
fornuis vlogen door de keuken en de kachelpijp lag rokend op tafel. Het plafond heeft mijn vader twee keren gekalkt maar dat is nooit meer wit
geworden.
De Staatsmijnen kenden een systeem van deputaatkolen. Iedere werknemer kreeg een bepaald aantal hectoliter deputaatkolen. Afhankelijk van de
stand en funktie van de betrokkene verschilde dat, voor wat betreft kwantiteit en kwaliteit.
Er was het altijd grote verschil tussen arbeiders en de zg beambten. Beambten kregen meer en betere kwaliteit. Beambten kregen anthraciet of
cokes, mijnwerkers veel minder anthraciet, wel eierkolen (mengsel van pek en kolengruis&341; en sjlam. Eierkolen en sjlam (ingedikt
kolenslik) waren minderwaardige brandstoffen en enorme stinkerds en rookontwikkelaars. Menige ochtend hebben mijn zusje en ik proestend
en hoestend ons boterhammetje gegeten voor we naar school gingen.
Eierkolen werden gemaakt van kolengruis en gesmolten pek. Het pek was later afkomstig van de teerdestilatie van de cokesfabrieken. De naam was
afgeleid van de vorm, een ei. In een soort briketteermachines werd de troep gemaakt. Het was het smerigste werk van Nederland volgens een
onderzoek van de Arbeidsinspectie uit 1918.
Sjlam was het kolengruis dat vrijkwam in de kolenwasserijen. In grote baden werd door middel van een vloeistof met een hoog soortelijk gewicht de
stenen van de kool gescheiden. Het bovendrijvende kolengruis werd afgeroomd en ingedikt. Het had dan de vorm van zwarte modder, sjlam in ons
dialect.
Een mijnwerker, zowel ondergronder als bovengronder, kreeg regelmatig een zg. kolenbon bij zijn loonstrookje. Dat gaf hem recht op een bepaald
aantal hectoliter gratis brandstof. Het was een belangrijke aanvulling op het loon, want in principe hoefde een werknemer van de koel geen
brandstoffen bij te kopen.
Als je de kolenbon bij de kolenboer inleverde bracht die je een paar dagen later de brandstof thuis. Eén hectoliter waren twee zakjes, herinner
ik me nog.
Jacob Schwartz, hij heette inderdaad zo, was altijd pikzwart en bracht met paard en wagen die brandstoffen op de plek van bestemming.
Ieder huis moest wel een opslagplek hebben, je moest toch minimaal een maand of zo vooruit kunnen.
Vaak was dat een afgescheiden ruimte in de kelder. Via het keldergat kiepte Jacob dan de eierkolen of antraciet in de daarvoor bestemde kist.
Mensen die op de verdieping van een duplex-woning woonden hadden geen kelder. Omdat er toch geen verwarming op de douchecel was werd die dan
maar, praktisch als men was, als kolenhok gebruikt.
Wassen was natuurlijk ook een apart verhaal. 's Morgens waste je je snoet in en teiltje koud water in de keuken/kamer. Je mocht je als jongen niet
wassen als een kat, met alleen maar natte vingers. Nee, een volle hand nat koud water moest hoorbaar door je gezicht gewreven worden. Ouders
waren toen nog hard voor hun kinderen.
Op zaterdag werd in bad (de buut gegaan). Dat was een grote zinken teil die midden in de keuken werd gezet. De tafel ging daarvoor aan
de kant. Als mijn vader thuis was maakte die daarvoor een grote inmaaksketel water heet. Er werd een laken voor het raam gespannen, we hadden
geen gordijnen en mijn zusje ging als eerste in de buut. Daarna ik en we moesten naar bed. Vader en moeder kropen vervolgens ook in bad en als het
nog vroeg was mochten wij weer opstaan.
Kuche ... ik heb er niks aan overgehouden maar vind de hedendaagse turboketel met zelfdenkende thermostaat en aangebouwde boiler toch wel een van
de belangrijkste knutsels van de vorige eeuw. Stel je voor, 's morgens opstaan en het ijs weer op de ruiten en de muren, gezicht en andere edele
delen wassen met koud water, met kouwe klauwen de kachel aanmaken ..
Hulde aan de uilen Joop! Voor de mijnwerkers is hij belangrijker geweest dan Sint Berbke.
(C) |
 |
jan. 2006 |
|