Koelpiet 3



tek. Jef Caenen (met toestemming van zijn weduwe)


Tijdens de periode dat je ondergronds als kompel ingewerkt werd, was je geplaatst in een zogenaamde leerpijler. Je werkte dan wel meteen al in de produktie, maar je werd toch in bepaalde mate behoed door een zogenaamde instructeur. Die man had nog een aantal andere leerling-kompels onder zijn hoede, was dus niet altijd in de onmiddelijke nabijheid en als je die eerste dagen niks overkwam was dat eigenlijk een kwestie van stom koeël-geluk. Zeker als je op daagsjiecht (dagdienst) was en je over de transporteur heen in het kolenfront moest inkerven. De luchtslang van je afbouwhamer kon door een meenemer van die transporteur meegesleurd worden. Je kon gegrepen worden door afgevoerde grote brokken kool, je kon gespietst worden door kappen (halve houten balken) of houtspitsen (smalle latten) die door de transporteur afgevoerd werden. Er waren legio mogelijkheden om in een donkere beperkte ruimte, in een inferno van stof en kabaal flink gewond te raken. Er waren mannen die na een uur in paniek afgevoerd moesten worden. Koelangst, een vorm van hyperventilatie. Je zag ze nooit meer terug.
Ik had het geluk? dat ik op middagdienst voor de eerste keer een afbouwhamer in de kool liet lopen. Er was reeds een vrij pand, dus had genoeg ruimte om mijn afbouwhamer te smeren en daarna in het kolenfront te drijven. Voelde de terugslag van de beitel in mijn pols en arm en wist dat ik moest ontspannen, anders sloeg dat ding mij beurs. Zocht met aandacht de splijtvlakken in de kool en probeerde er haaks op te werken zoals die bovengrondse instructeur ons in de leermijn had uitgelegd.
Na een uurtje had ik een hoopje kolen uit mijn pand losgewrikt, had mijn stofmasker op de accu van mijn lamp gehangen omdat dat ding veel te benauwd voor mijn snufferd was, was drijfnat van transpiratie, had met verbazing vastgesteld dat de broek boven mijn knieën het eerste doorzweet was, had met enige zorg geconstateerd dat mijn twee liter drinkblik al half leeg was en kreeg van de instructeur te horen dat het niks werd ... en al zeker niet als ik niet lid werd van de "Katholieke Mijnwerkersbond" waarvoor ik me bij hem kon opgeven.
Nadat hij mijn naam en nummer opgeschreven had, greep hij mijn hammer (afbouwhamer) en deed me voor hoe ik hammeren moest. Alleen bruut geweld was de taal die de knab (kool) verstjond (begreep), zei hij.
Ik deed daarna meer dan mijn uiterste best en had met boeteren (boterhampauze halverwege de dienst) al hevige kramp in mijn schouders en armen. Geloof me, het is als 18 jarige een bittere ervaring als je schouderspieren op slot gaan. Hoe ik eigenlijk het einde van die eerste dienst gehaald heb kan ik me niet meer herinneren. Waarschijnlijk is het verdrongen bij een reeks andere ervaringen die het daglicht nooit gezien hebben.
De eerste weken ondergronds verliepen erg teleurstellend. Ik kreeg mijn toebedeelde portie er nooit uit. Was altijd aangewezen op hulp van anderen en ondervond dat als zeer deprimerend. Toen al begon het besef te groeien dat kompel zijn uiteindelijk niet mijn lot kon zijn.
De eertse keer dat ik mijn stuk helemaal alleen en op eigen kracht eruit kreeg kan ik me wel nog herinneren. Het was op een maandag, op dagdienst. Ik kon de bovenlaag over mijn hele pand snel uithammeren en in de transporteur werken. Ik werkte als in een roes. Alles lukte, de kophouten die ik plaatste stonden meteen goed. De onderkool ging ook in grote brokken los en ik kon makkelijk uitbouwen met de Titanstijlen, die deze keer eens niet klemden.
Als een overwinnaar ging ik na het douchen in euforie naar de melkboet (soort kantine), dronk een groot glas melk en een flesje limonade en kon eindelijk als gelijke met de andere kompels praten. Ik had geen hulp nodig had, Glück Auf! Wie doet me wat?

Een paar maanden later werkte ik in een andere, echte klote-pijler. Ik geloof afdeling Q ergens tussen de vijf- en zeshonderd meter verdieping. Dat ding was amper een meter hoog, de kool was er knoerhard en in het midden van de pijler zat een flinke storing. De kolenlaag versprong daar wel een meter en er was geregeld paniek als het dak weer op instorten stond. Ongelooflijke hoeveelheden stuthout werden er in verbruikt om de zaak een beetje stabiel en dicht te houden. Uit het dak regende het regelmatig stenen en de Beien-transporteur mocht geen moment stil vallen anders kwam hij niet meer aan de gang.
De opzichter zat altijd ergens in die storing in de weg en ging iedereen daar op de zenuwen met zijn tirades. Om de vijf minuten riep hij "Gott, grwaote, grieze herrgott! ... en vervolgens een serie vloeken over iets of iemand dat hem niet beviel. Dat was een beproefde manier van leidinggeven ! Ondergronds wende je vlug aan bepaalde erge dingen, maar je kon ze nooit accepteren als gewoon.
Wij zaten met een aantal kompels onder die storing, richting voet pijler. Er waren twee broers bij en het toeval wilde dat zij oud buurjongens van die opzichter waren. Vroeger als kinderen hadden ze samen gespeeld maar, nu hij opzichter was en qua maatschappelijke stand ver verheven boven hen, keurde hij ze geen blik meer waardig, schold ze zelfs regelmatig uit.
"Dae sjlappe trikhondj pakke weer ôs !" beloofden ze ons op een dag in het personentreintje naar de afdeling.
Toen de pijler een uurtje liep en de paniek weer zoals altijd volmaakt was bouwde een van de broers, razendsnel van hout dat hij verzameld had, een fuik boven en om de transporteur. Zijn broer had op zijn stuk een gaatje in het dak gehammerd, hield een kap (halve balk) schuins voor een meenemer van de Beien en het gat en de volgende seconde zat alles muurvast.
Op slag was het doodstil in de pijler, de afbouwhamers moesten gesmeerd worden. Je zag de petlampen naar boven flitsen, daar waar ergens die razende opzichter moest zitten. Stofmaskers gingen naar beneden, er werden een paar volle teugen lucht gehaald. Zodadelijk zou de hel los breken.
En jawel, daar kwam hij al. We hoorden de eerste "Gott, grwaote, griese Herrgott" al door de zwarte mist schallen. Met een sprong was hij uit de vulling, gooide zijn benzinelamp (teken van waardigheid) op zijn rug, zette zijn met spijkers beslagen mijnschoenen op de stalen randen van de Beien en liet zich naar beneden glijden. Omdat de pijler een paar procent daalde kwam hij met een rotvaart langs en zat plots vast, midden in de fuik.
"Wat kumst dich hieë doeë?", vroeg de bouwer quasi verwonderd en gooide hem een schop kolengruis in het gezicht.
"Gank oet de waeg, doe makst oeze akkoord kepot".
Vloekend en tierend, gaf de godslasteraar ons opdracht hem onmiddelijk te bevrijden.
Met zware slagen van onze hamers en lange steenknuppels sloopten we de zogenaamde blokkenpijler waarin hij gevangen zat. Een paar meppen waren per ongeluk naast ... en op hem, maar daar lette hij niet op. Zaak was dat de pijler weer zo vlug mogelijk liep en er "kaole" gemaakt werden.

Opzichters werden op hun beurt weer door de directie uitgescholden en beboet, wisten wij, als ze hun quantum kolen niet haalden. Ze werden geestelijk kapot gemaakt en ik heb opzichters meegemaakt die einde dienst niet naar boven durfden. Die half huilend hun bezetting smeekten om te viedelen (twee uren overwerken). Dan kon de pijler doorlopen tot de aflossing door de volgende ploeg aangekomen was.
Er waren opzichters bij waar we het voor deden, maar dat waren uitzonderingen. De meesten werden met een smoes bedankt voor de eer (vrouw is aan het kramen) en een enkele hondsbrutale vroeg zelfs een briefje voor de voortrek (eerder vertrekken).
Vaker heb ik meegemaakt dat je bovengronds met een opzichter als normaal mens kon praten. Dat ging zelfs goed tot op de liftkooi, maar op het moment dat de kooi begon te dalen was het over en uit. Een opzichter was dan een beambte en jij de koelpiet, een kaste verschil. Je mocht uitgekafferd worden en had nog maar weinig rechten. Op een mijnfiets zou een opzichter zelden of nooit trappen, hij zat afhankelijk van de windrichting op het bankje achter of voor. Opzichter, het woord alleen al. De slaaf hoorde er automatisch bij.
Een opzichter met een beetje gevoel voor de beambtenstand trok iedere dag een schoon, krijtwit pak aan. Einde dienst had hij slechts één plek zwart, zijn kont - van het zitten. Ik vermoed dat ze het bewust of onbewust als statussymbool deden. Het ploeteren, morksen en schjravellen was weggelegd voor ons, koelpieten, in natte, stinkende, door en door vuile koelpungels.
Er waren naast het witte mijnpak nog een paar statussymbolen. Een kompel had alleen een verplichte electrische petlamp.
Een meesterhouwer mocht al een benzinelamp meevoeren. Dat was een geblutst ijzeren exemplaar.
Een opzichter had een glimmend gepoetst messing geval.
Een vaarsjtieger (meesteropzichter) had als teken van waardigheid een vaarsjtek. Een soort wandelstok, die oorpronkelijk bedoeld was om het dak af te kloppen op loshangende stenen.
Het toppunt van decadentie was een hoofdopzichter van de mijnmeters die geen lamp droeg. Iemand van zijn helpers moest met zijn lamp voor zijn voeten schijnen ... Dat werd als een eer ervaren, kuche ...
Goed, dat Joop den Uyl er uiteindelijk een eind aan gemaakt heeft.





(C)

FvdB

jan. 2006



terug naar koelpiet
terug naar koelpiet