Koeelduuster



Een jury heeft eind 2004 de tien mooiste Limburgse woorden bepaald. Als geboren dwaesjligker ben ik het er uiteraard niet mee eens. We hebben zoveel mooie woorden, dus waarom persé deze tien en niet tien even mooie, andere? Zuche ...
Omdat ik nooit in een jury wil zitten, gewoon omdat ik niet tegen kritiek kan, heb ik wel altijd een goed naschrijven. Maar in alle ernst, minstens één woord had er niet bij mogen ontbreken. Het woordje - koempel - !
Nostalgie van een zondagse mijnwerker? Misschien, ik deed het immers maar drie jaren. Het bepaalde wel de rest van mijn leven.
Wat ik ook zeker weet is dat onze vertrouwde regio, uitgebouwd tot wat ze nu is, alleen maar mogelijk was met en door de nu al bijna vergeten koempels.
Want, doordat de koempels op hun ”versjangelaerde kneuk sjravelden” in de zwarte ondergrondse duisternis ging hierboven (en ook in de rest van het land) nooit meer na de oorlog het licht uit.
Ik heb me er nooit over verbaasd hoe snel de koempel in de vergeetbak gezet is.
Want, was hij niet gewend om ”veuraevevêul” niet in tel te zijn?
En was hij ook niet gewend aan al de ”ambras” (gedoe) als de vaarsjtieeger de pijler afkwam. Het panjd moest opgeruimd zijn. Hij mocht zijn kop niet aan een kap stoten en met zijn dikke vot niet klem komen te zitten tussen de sjtielen en de roetsj (vervoermiddel).
Hoe mooi was het als je, eind sjiech mit dieene grieeze ”sjoetelsplak” (grijze halsdoek), je van het zweet drijfnatte lijf een beetje kon droogwrijven.
”Es ich - esgodbleef - mer neet hoof te vieedele (overwerken), want ich bin al zoë kapot es ene hondj”, zei de latere troubadour Joep Rademakers, ooit tegen me.
Joep zong ook al ondergronds voor ons over ziene ”Sjnoebel en Leveke”. Hij wist toen nog niet: ”Woa dat mit ziene ingel haer moosj !” Inmiddels is Joep zelf ooch al ene ingel.
Doeësj (dorst) was een van de ergste dagelijkse plagen van de koempel. Doa veel neet veul aan te fiespernulle. Pas toen de waterpatronen in plaats van de kleistoppen kwamen, was er een tijdelijk verlichting van de dagelijkse dorst. Het smaakte wel als aek, maar was nog altijd beter dan water oeet de zomp.
Eigenlijk zou er met spoed ook een plat koempel woordenboek moeten komen, want de letste koempel drieët binnekort ooch zieen lamp oet. En dan wuuërt ut hieej pas ech koeelduuster.





(C)

FvdB

feb. 2008





N.B. Een Lexicon van mijnwerkerswoorden en uitdrukkingen vind je op de site van

”mijnbouw-wim”




terug naar koelpiet
terug naar koelpiet